Het heffen van de handen tijdens het gebed, ook wel bekend als Rafʿ al-Yadayn, is een belangrijk onderwerp van discussie geweest onder islamitische geleerden. Dit meningsverschil wordt beschouwd als een van de bekende kwesties binnen de fiqh.
Een groep geleerden is van mening dat het heffen van de handen een sunnah-praktijk is bij het gaan naar de rukūʿ en bij het opstaan uit de rukūʿ. Een andere groep is van mening dat de handen alleen aan het begin van het gebed (takbīrat al-iḥrām) één keer worden geheven en daarna niet opnieuw.
De madhhab van Imam Abū Ḥanīfah volgde de overlevering van Ibn Masʿūd, waarin hij vermeldde dat de Profeet ﷺ zijn handen niet hief, behalve bij het begin van het gebed:
حَدَّثَنَا هَنَّادٌ، حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، عَنْ سُفْيَانَ، عَنْ عَاصِمِ بْنِ كُلَيْبٍ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ الأَسْوَدِ، عَنْ عَلْقَمَةَ، قَالَ قَالَ عَبْدُ اللَّهِ بْنُ مَسْعُودٍ أَلاَ أُصَلِّي بِكُمْ صَلاَةَ رَسُولِ اللَّهِ صلى الله عليه وسلم فَصَلَّى فَلَمْ يَرْفَعْ يَدَيْهِ إِلاَّ فِي أَوَّلِ مَرَّةٍ . قَالَ وَفِي الْبَابِ عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ . قَالَ أَبُو عِيسَى حَدِيثُ ابْنِ مَسْعُودٍ حَدِيثٌ حَسَنٌ . وَبِهِ يَقُولُ غَيْرُ وَاحِدٍ مِنْ أَهْلِ الْعِلْمِ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ صلى الله عليه وسلم وَالتَّابِعِينَ . وَهُوَ قَوْلُ سُفْيَانَ الثَّوْرِيِّ وَأَهْلِ الْكُوفَةِ .
ʿAbdullāh (ibn Masʿūd) heeft overgeleverd: "Zal ik jullie niet het gebed van de Boodschapper van Allah ﷺ voordoen?" Vervolgens bad hij en hief hij zijn handen niet, behalve één keer.
[Sunan an-Nasa'i 1058, Sunan Abi Dawud 748, Sunan al-Tirmidhi 257]
De madhhab van Imam Mālik, Imam al-Shāfiʿī en Imam Aḥmad volgde de overlevering van Ibn ʿUmar, waarin hij vermeldde dat de Profeet ﷺ zijn handen hief bij het openen van het gebed, bij het gaan naar de rukūʿ en bij het opstaan uit de rukūʿ:
حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ مَسْلَمَةَ، عَنْ مَالِكٍ، عَنِ ابْنِ شِهَابٍ، عَنْ سَالِمِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ، عَنْ أَبِيهِ، أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ صلى الله عليه وسلم كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ إِذَا افْتَتَحَ الصَّلاَةَ، وَإِذَا كَبَّرَ لِلرُّكُوعِ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ رَفَعَهُمَا كَذَلِكَ أَيْضًا وَقَالَ " سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ ". وَكَانَ لاَ يَفْعَلُ ذَلِكَ فِي السُّجُودِ.
ʿAbdullāh ibn ʿUmar heeft overgeleverd: "De Boodschapper van Allah ﷺ hief zijn handen ter hoogte van zijn schouders wanneer hij het gebed begon, en wanneer hij 'Allāhu Akbar' zei bij het gaan naar de rukūʿ. Wanneer hij zijn hoofd ophief uit de rukūʿ, hief hij eveneens zijn handen en zei hij: 'Samiʿallāhu liman ḥamidah, Rabbana wa lakal ḥamd.' De Profeet ﷺ deed dit (het heffen van de handen) niet tussen de twee neerknielingen."
[Sahih al-Bukhārī 735, Sahih Muslim 390b]
وَاخْتَلَفُوا فِي رَفْعِ الْيَدَيْنِ عِنْدَ الرُّكُوعِ، وَعِنْدَ رَفْعِ الرَّأْسِ مِنَ الرُّكُوعِ
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحة ١٣٧]
Ibn al-Mundhir zei:
"De geleerden verschilden van mening over het heffen van de handen bij het buigen (rukūʿ) en bij het opstaan uit het buigen."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Volume 3 - Pagina 137]
Het heffen van de handen is volgens de meerderheid van geleerden een Sunnah van het gebed. Deze worden opgeheven bij de openingstakbir, voor de ruku' en erna. Bij alle gevallen kan deze tot de hoogte van de oren (zonder de oren bewust te raken) komen of de schouders.
فَقَالَتْ طَائِفَةٌ: يَرْفَعُ الْمُصَلِّي يَدَيْهِ إِذَا رَكَعَ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ، رُوِيَ هَذَا الْقَوْلُ عَنْ جَمَاعَةٍ مِنْ أَصْحَابِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَمِنَ التَّابِعِينَ، وَمَنْ بَعْدَهُمْ، رُوِّينَا ذَلِكَ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، وَابْنِ عَرْمٍ، وَأَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، وَابْنِ الزُّبَيْرِ، وَأَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، وَقَالَ الْحَسَنُ: كَانَ أَصْحَابُ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ إِذَا كَبَّرُوا، وَإِذَا رَكَعُوا، وَإِذَا رَفَعُوا رُءُوسَهُمْ مِنَ الرُّكُوعِ، كَأَنَّهَا الْمَرَاوِحُ.
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحة ١٣٧]
Ibn al-Mundhir zei:
"Een groep heeft gezegd: De biddende persoon heft zijn handen wanneer hij buigt en wanneer hij zijn hoofd weer opheft uit het buigen. Deze mening is overgeleverd van een aantal metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ, evenals van de Tābiʿīn en degenen na hen.
Wij hebben dit overgeleverd van Ibn ʿAbbās, Ibn ʿUmar, Abū Saʿīd al-Khudrī, Ibn al-Zubayr en Anas ibn Mālik.
En al-Ḥasan zei: 'De metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ hieven hun handen wanneer zij de takbīr zeiden, wanneer zij bogen en wanneer zij hun hoofden weer ophieven uit het buigen.'"
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Volume 3 - Pagina 137]
١٣٨٤ - وَحَدَّثنا إِسْمَاعِيلُ، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرٍ، قَالَ: ثنا هُشَيْمٌ، قَالَ: أَخْبَرَنَا اللَّيْثُ، عَنْ عَطَاءٍ قَالَ: «رَأَيْتُ أَبَا سَعِيدٍ الْخُدْرِيَّ، وَابْنَ عُمَرَ، وَابْنَ عَمْرٍو، وَابْنَ عَبَّاسٍ، وَابْنَ الزُّبَيْرِ يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ» نَحْوًا مِنْ حَدِيثِ الزُّهْرِيِّ، يَعْنِي عَنْ سَالِمٍ، عَنِ ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ فِي رَفْعِ الْيَدَيْنِ.
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٣٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Ismāʿīl heeft ons overgeleverd, hij zei: Abū Bakr heeft ons overgeleverd, hij zei: Hushaym heeft ons overgeleverd, hij zei: al-Layth heeft ons bericht, van ʿAṭāʾ, die zei: "Ik zag Abū Saʿīd al-Khudrī, Ibn ʿUmar, Ibn ʿAmr, Ibn ʿAbbās en Ibn al-Zubayr hun handen heffen," overeenkomstig wat is overgeleverd door al-Zuhrī — namelijk van Sālim, van Ibn ʿUmar, van de Profeet ﷺ — betreffende het heffen van de handen.
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 138]
١٣٨٥ - حَدَّثنا إِسْحَاقُ، عَنْ عَبْدِ الرَّزَّاقِ، عَنِ ابْنِ جُرَيْجٍ، قَالَ: أَخْبَرَنِي حَسَنُ بْنُ مُسْلِمٍ، قَالَ: سَمِعْتُ طَاوُسًا: " وَهُوَ يُسْأَلُ عَنْ رَفْعِ الْيَدَيْنِ فِي الصَّلَاةِ، قَالَ: «رَأَيْتُ عَبْدَ اللهِ وَعَبْدَ اللهِ، وَعَبْدَ اللهِ يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ فِي الصَّلَاةِ» أَيْ عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ، وَعَبْدُ اللهِ بْنُ عَبَّاسٍ، وَعَبْدُ اللهِ بْنُ الزُّبَيْرِ ".
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٣٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Isḥāq heeft ons overgeleverd, van ʿAbd al-Razzāq, van Ibn Jurayj, die zei: Ḥasan ibn Muslim heeft mij bericht, hij zei: Ik hoorde Ṭāwūs, toen hem werd gevraagd over het heffen van de handen in het gebed, zeggen: "Ik zag ʿAbdullāh, ʿAbdullāh en ʿAbdullāh hun handen heffen in het gebed" — hiermee bedoelde hij ʿAbdullāh ibn ʿUmar, ʿAbdullāh ibn ʿAbbās en ʿAbdullāh ibn al-Zubayr.
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 138]
١٣٨٦ - حَدَّثنا إِسْمَاعِيلُ، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرٍ، قَالَ: ثنا مُعَاذُ بْنُ مُعَاذٍ، عَنْ حُمَيْدٍ، عَنْ أَنَسٍ: «أَنَّهُ كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ إِذَا دَخَلَ فِي الصَّلَاةِ، وَإِذَا رَكَعَ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ».
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٣٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Ismāʿīl heeft ons overgeleverd, hij zei: Abū Bakr heeft ons overgeleverd, hij zei: Muʿādh ibn Muʿādh heeft ons overgeleverd, van Ḥumayd, van Anas: "Dat hij zijn handen hief wanneer hij het gebed binnenging, wanneer hij boog en wanneer hij zijn hoofd ophief uit de rukūʿ."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 138]
١٣٨٧ - حَدَّثنا عَلِيُّ بْنُ عَبْدِ الْعَزِيزِ، قَالَ: ثنا حَجَّاجٌ، قَالَ: ثنا حَمَّادُ بْنُ سَلَمَةَ، عَنِ الْأَزْرَقِ بْنِ قَيْسٍ، عَنْ حِطَّانَ بْنِ عُبَيْدِ اللهِ الرَّقَاشِيِّ، قَالَ: عَلَّمَنَا أَبُو مُوسَى الْأَشْعَرِيُّ: " قَامَ كَأَنَّهُ يُصَلِّي بِنَا، وَرَفَعَ يَدَيْهِ إِلَى أَطْرَافِ أُذُنَيْهِ فَقَالَ: «اللهُ أَكْبَرُ، هَكَذَا فَاصْنَعُوا»، ثُمَّ كَبَّرَ وَرَفَعَ، فَقَالَ: «هَكَذَا فَاصْنَعُوا»، ثُمَّ رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ وَقَالَ: «سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ»، وَرَفَعَ يَدَيْهِ، ثُمَّ قَالَ: «هَكَذَا فَاصْنَعُوا».
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٣٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
ʿAlī ibn ʿAbd al-ʿAzīz heeft ons overgeleverd, hij zei: Ḥajjāj heeft ons overgeleverd, hij zei: Ḥammād ibn Salamah heeft ons overgeleverd, van al-Azraq ibn Qays, van Ḥiṭṭān ibn ʿUbaydullāh al-Raqāshī, die zei:
Abū Mūsā al-Ashʿarī onderwees ons. Hij stond alsof hij ons voorging in het gebed, en hij hief zijn handen tot aan de uiteinden van zijn oren en zei: "Allāhu akbar — doe zo."
Vervolgens zei hij de takbīr en hief (zijn handen), en zei: "Doe zo."
Vervolgens hief hij zijn hoofd op uit de rukūʿ en zei: "Samiʿa Allāhu liman ḥamidah," en hij hief zijn handen, en zei vervolgens: "Doe zo."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 138]
١٣٨٣ - حَدَّثنا يَحْيَى بْنُ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرِ بْنُ أَبِي شَيْبَةَ، قَالَ: ثنا مُعَاذُ بْنُ مُعَاذٍ، عَنِ ابْنِ أَبِي عَرُوبَةَ، عَنْ قَتَادَةَ، عَنِ الْحَسَنِ، قَالَ: «كَانَ أَصْحَابُ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ إِذَا كَبَّرُوا، وَإِذَا رَكَعُوا، وَإِذَا رَفَعُوا رُءُوسَهُمْ مِنَ الرُّكُوعِ، كَأَنَّهَا الْمَرَاوِحُ».
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٣٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Yaḥyā ibn Muḥammad ibn Yaḥyā heeft ons overgeleverd, hij zei: Abū Bakr ibn Abī Shaybah heeft ons overgeleverd, hij zei: Muʿādh ibn Muʿādh heeft ons overgeleverd, van Ibn Abī ʿArūbah, van Qatādah, van al-Ḥasan, die zei: "De metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ hieven hun handen wanneer zij de takbīr zeiden (takbīrat al-iḥrām), wanneer zij bogen (rukūʿ) en wanneer zij hun hoofden ophieven uit de rukūʿ."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 138]
١٣٨٨ - وَحَدَّثنا أَبُو حَاتِمٍ الرَّازِيُّ، قَالَ: ثنا سَلَمَةُ بْنُ شَبِيبٍ، قَالَ: سَمِعْتُ عَبْدَ الرَّزَّاقِ يَقُولُ: «أَخَذَ أَهْلُ مَكَّةَ رَفْعَ الْيَدَيْنِ فِي الصَّلَاةِ فِي الِافْتِتَاحْ وَالرُّكُوعِ، وَرَفْعِ الرَّأْسِ مِنَ الرُّكُوعِ» عَنِ ابْنِ جُرَيْجٍ، وَأَخَذَهُ ابْنُ جُرَيْجٍ عَنْ عَطَاءٍ وَأَخَذَهُ عَطَاءٌ عَنِ ابْنِ الزُّبَيْرِ، وَأَخَذَهُ ابْنُ الزُّبَيْرِ عَنْ أَبِي بَكْرٍ الصِّدِّيقِ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ.
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٤٧]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Abū Ḥātim al-Rāzī heeft ons overgeleverd, hij zei: Salamah ibn Shabīb zei: Ik hoorde ʿAbd al-Razzāq zeggen: "De mensen van Makkah namen het heffen van de handen in het gebed bij de openingstakbīr, bij de rukūʿ en bij het opheffen van het hoofd uit de rukūʿ over van Ibn Jurayj. En Ibn Jurayj nam dit over van ʿAṭāʾ, en ʿAṭāʾ nam dit over van Ibn al-Zubayr, en Ibn al-Zubayr nam dit over van Abū Bakr al-Ṣiddīq, van de Profeet ﷺ."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 147]
وَرُوِي ذَلِكَ عَنِ الْحَسَنِ الْبَصْرِيِّ، وَابْنِ سِيرِينَ، وَعَطَاءٍ، وَطَاوُسٍ، وَمُجَاهِدٍ، وَنَافِعٍ، وَابْنِ أَبِي نَجِيحٍ، وَقَتَادَةَ، وَالْحَسَنِ بْنِ مُسْلِمٍ، وَالْقَاسِمِ بْنِ مُحَمَّدٍ، وَمَكْحُولٍ، وَعَبْدِ اللهِ بْنِ دِينَارٍ، وَسَالِمٍ، وَنَافِعٍ، وَابْنِ عُيَيْنَةَ، وَجَرِيرِ بْنِ عَبْدِ الْحَمِيدِ، وَيَحْيَى الْقَطَّانِ، وَعَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ مَهْدِيٍّ، وَابْنِ أَبِي عَدِيٍّ، وَمُعَاذِ بْنِ مُعَاذٍ الْعَنْبَرِيِّ، وَعَبْدِ الْوَهَّابِ الثَّقَفِيِّ، وَصَفْوَانَ بْنِ عِيسَى، وَرَوْحِ بْنِ عُبَادَةَ، وَعُمَرِ بْنِ عَلِيِّ بْنِ عَلِيِّ بْنِ مِقْدَامٍ، وَعَبْدِ الْمَلِكِ بْنِ الصَّبَّاحِ، وَزُهَيْرِ بْنِ نُعَيْمٍ الْبَابِ، وَحَمَّادِ بْنِ مَسْعَدَةَ، وَأَزْهَرَ السَّمَّانِ، وَأَبِي دَاوُدَ الطَّيَالِسِيِّ، وَعُثْمَانَ بْنِ عُمَرَ الْبَكْرَاوِيِّ، وَوَهْبِ بْنِ جَرِيرِ بْنِ حَازِمٍ، وَبَهْزٍ، وَالْمُعَلَّى بْنِ أَسَدٍ، وَأَبِي قُتَيْبَةَ، وَأَبِي عَبْدِ الرَّحْمَنِ الْمُقْرِئِ، وَيَحْيَى بْنِ حَمَّادٍ، وَيَحْيَى بْنِ أَبِي الْحَجَّاجِ الْمِنْقَرِيِّ،وَأَيُّوبَ بْنِ الْمُتَوَكِّلِ الْمُقْرِئِ، وَيَعْقُوبَ بْنِ إِسْحَاقَ الْمُقْرِئِ، وَعُبَيْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ الْقَوَارِيرِيِّ، وَسُلَيْمَانَ بْنِ حَرْبٍ، وَأَبِي الْوَلِيدِ الطَّيَالِسِيِّ، وَعَمْرِو بْنِ عَوْنٍ الْوَاسِطِيِّ، وَالْحُمَيْدِيِّ، وَمُسَدَّدٍ، وَعَلِيِّ بْنِ الْمَدِينِيِّ.
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحات ١٣٩-١٤٦]
Ibn al-Mundhir zei:
"Dit is overgeleverd van al-Ḥasan al-Baṣrī, Ibn Sīrīn, ʿAṭāʾ, Ṭāwūs, Mujāhid, Nāfiʿ, Ibn Abī Najīḥ, Qatādah, al-Ḥasan ibn Muslim, al-Qāsim ibn Muḥammad, Makḥūl, ʿAbdullāh ibn Dīnār, Sālim, Nāfiʿ, Ibn ʿUyaynah, Jarīr ibn ʿAbd al-Ḥamīd, Yaḥyā al-Qaṭṭān, ʿAbd al-Raḥmān ibn Mahdī, Ibn Abī ʿAdī, Muʿādh ibn Muʿādh al-ʿAnbarī, ʿAbd al-Wahhāb al-Thaqafī, Ṣafwān ibn ʿĪsā, Rūḥ ibn ʿUbādah, ʿUmar ibn ʿAlī ibn ʿAlī ibn Miqdām, ʿAbd al-Malik ibn al-Ṣabbāḥ, Zuhayr ibn Nuʿaym al-Bāb, Ḥammād ibn Masʿadah, Azhar al-Sammān, Abū Dāwūd al-Ṭayālisī, ʿUthmān ibn ʿUmar al-Bakrawī, Wahb ibn Jarīr ibn Ḥāzim, Bahz, al-Muʿallā ibn Asad, Abū Qutaybah, Abū ʿAbd al-Raḥmān al-Muqriʾ, Yaḥyā ibn Ḥammād, Yaḥyā ibn Abī al-Ḥajjāj al-Minqarī, Ayyūb ibn al-Mutawakkil al-Muqriʾ, Yaʿqūb ibn Isḥāq al-Muqriʾ, ʿUbaydullāh ibn ʿUmar al-Qawārīrī, Sulaymān ibn Ḥarb, Abū al-Walīd al-Ṭayālisī, ʿAmr ibn ʿAwn al-Wāsiṭī, al-Ḥumaydī, Musaddad en ʿAlī ibn al-Madīnī."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 139-146]
وَقَالَ الْأَوْزَاعِيُّ: الَّذِي بَلَغَنَا عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِيمَا اجْتَمَعَ عَلَيْهِ عُلَمَاءُ أَهْلِ الْحِجَازِ وَالشَّامِ وَالْبَصْرَةِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ حَتَّى يُكَبِّرَ لِافْتِتَاحِ الصَّلَاةِ وَيَرْفَعُ يَدَيْهِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ حِينَ يُكَبِّرُ لِلرُّكُوعِ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ إِلَّا أَهْلَ الْكُوفَةِ فَإِنَّهُمْ خَالَفُوا فِي ذَلِكَ.
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٤٧]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Al-Awzāʿī zei: "Wat ons heeft bereikt van de Boodschapper van Allah ﷺ, met betrekking tot hetgeen waarover de geleerden van de mensen van al-Ḥijāz, al-Shām en al-Baṣrah overeenkwamen, is dat de Boodschapper van Allah ﷺ zijn handen hief ter hoogte van zijn schouders bij de openingstakbīr van het gebed. Hij hief ook zijn handen ter hoogte van zijn schouders wanneer hij de takbīr zei voor de rukūʿ. En wanneer hij zijn hoofd ophief uit de rukūʿ, behalve de mensen van Kūfah, want zij verschilden hierin."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 147]
حَدَّثَنَا عَبْدُ الْوَارِثِ بْنُ سُفْيَانَ حَدَّثَنَا قَاسِمُ بْنُ أَصْبَغَ حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ زُهَيْرٍ حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ زَيْدٍ الرِّفَاعِيُّ قَالَ حَدَّثَنِي دَاوُدُ بْنُ يَحْيَى بْنِ يَمَانٍ الثِّقَةُ الْمَأْمُونُ عَنِ ابْنِ الْمُبَارَكِ قَالَ صَلَّيْتُ إِلَى جَنْبِ سُفْيَانَ وَأَنَا أُرِيدُ أَنْ أَرْفَعَ يَدَيَّ إِذَا رَكَعْتُ وَإِذَا رَفَعْتُ فَهَمَمْتُ بِتَرْكِهِ وَقُلْتُ يَنْهَانِي سُفْيَانُ ثُمَّ قُلْتُ شَيْءٌ أَدِينُ اللَّهَ بِهِ لَا أَدَعُهُ فَفَعَلْتُ فَلَمْ يَنْهَنِي وَرُوِي عَنِ ابْنِ الْمُبَارَكِ قَالَ صَلَّيْتُ إِلَى جَنْبِ أَبِي حَنِيفَةَ فَرَفَعْتُ يَدَيَّ عِنْدَ الرُّكُوعِ وَعِنْدَ الرَّفْعِ مِنْهُ فَلَمَّا انْقَضَتْ صَلَاتِي قَالَ لِي أَرَدْتَ أَنْ تَطِيرَ فَقُلْتُ لَهُ وَهَلْ مَنْ رَفَعَ فِي الْأُولَى يُرِيدُ أَنْ يَطِيرَ فَسَكَتَ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحات ٢٢٨-٢٢٩]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
ʿAbd al-Wārith ibn Sufyān heeft ons overgeleverd: Qāsim ibn Aṣbagh heeft ons overgeleverd, Aḥmad ibn Zuhayr heeft ons overgeleverd, Muḥammad ibn Zayd al-Rifāʿī zei: Dāwūd ibn Yaḥyā ibn Yamān, de betrouwbare en betrouwbare overleveraar, heeft overgeleverd van Ibn al-Mubārak, die zei:
"Ik bad naast Sufyān en ik was van plan mijn handen te heffen wanneer ik boog en wanneer ik weer opstond. Ik aarzelde echter en zei tegen mezelf: 'Sufyān zal mij hiervan weerhouden.' Daarna zei ik: 'Dit is iets waarmee ik Allah aanbid, ik zal het niet verlaten.' Dus ik deed het, en hij hield mij niet tegen."
Er is ook overgeleverd van Ibn al-Mubārak dat hij zei:
"Ik bad naast Abū Ḥanīfah en ik hief mijn handen bij het buigen en bij het opstaan daaruit. Toen mijn gebed voorbij was, zei hij tegen mij: 'Wilde je vliegen?' Ik antwoordde: 'Wil iemand die alleen bij het begin zijn handen heft soms vliegen?' Toen zweeg hij."
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 228-229]
وَمِمَّنْ قَالَ بِمِثْلِ مَا ذَكْرْنَاهُ عَنْ أَصْحَابِ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَالتَّابِعِينَ اللَّيْثُ بْنُ سَعْدٍ، وَالشَّافِعِيُّ، وَأَحْمَدُ، وَإِسْحَاقُ، وَأَبُو ثَوْرٍ.
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٤٧]
Ibn al-Mundhir zei:
"En degenen die dezelfde mening hadden als wat wij hebben genoemd van de metgezellen van de Boodschapper van Allah ﷺ en de Tābiʿīn zijn: Al-Layth ibn Saʿd, al-Shāfiʿī, Aḥmad, Isḥāq en Abū Thawr."
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 147]
وَحَكَى يُونُسُ بْنُ عَبْدِ الْأَعْلَى، عَنِ ابْنِ وَهْبٍ، عَنْ مَالِكٍ أَنَّهُ سُئِلَ: هَلْ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي الرُّكُوعِ فِي الصَّلَاةِ؟ قَالَ: نَعَمْ، فَقِيلَ: وَبَعْدَ أَنْ يَرْفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ؟ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: وَهَذَا فِي سَنَةِ سَبْعٍ وَسَبْعِينَ، قَالَ يُونُسُ: وَهِيَ آخِرُ سَنَةٍ فَارَقَ فِيهَا ابْنَ وَهْبٍ مَالِكٌ.
[الأوسط – ابن المنذر – الجزء ٣ – الصفحة ١٤٧]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
En Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft overgeleverd van Ibn Wahb, van Mālik, dat hij werd gevraagd: “Heft men de handen op tijdens de rukūʿ in het gebed?” Hij zei: “Ja.” Er werd gevraagd: “En nadat hij zijn hoofd van de rukūʿ heeft opgeheven?” Hij zei: “Ja.” Hij zei: “En dit was in het jaar zevenenzeventig.” Yūnus zei: “En dit was het laatste jaar waarin Mālik en Ibn Wahb uit elkaar gingen.”
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 147]
فَحَدَّثَنَا عَبْدُ الْوَارِثِ بْنُ سُفْيَانَ حَدَّثَنَا قَاسِمُ بْنُ أَصْبَغَ حَدَّثَنَا أَبُو عُبَيْدَةَ بْنُ أَحْمَدَ حَدَّثَنَا يُونُسُ بْنُ عَبْدِ الْأَعْلَى حَدَّثَنَا أَشْهَبُ بْنُ عَبْدِ الْعَزِيزِ قَالَ صَحِبْتُ مَالِكَ بْنَ أَنَسٍ قَبْلَ مَوْتِهِ بِسَنَةٍ فَمَا مَاتَ إِلَّا وَهُوَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فَقِيلَ لِيُونُسَ وَصَفَ أَشْهَبُ رَفْعَ الْيَدَيْنِ عَنْ مَالِكٍ قَالَ سُئِلَ أَشْهَبُ عَنْهُ غَيْرَ مَرَّةٍ فَكَانَ يَقُولُ يَرْفَعُ يَدَيْهِ إِذَا أَحْرَمَ وَإِذَا أَرَادَ أَنْ يَرْكَعَ وَإِذَا قال سمع الله لمن حمده قَالَ يُونُسُ وَحَدَّثَنِي ابْنُ وَهْبٍ قَالَ صَحِبْتُ مالك فِي طَرِيقِ الْحَجِّ فَلَمَّا كَانَ بِمَوْضِعٍ ذَكَرَهُ يونس دنت ناقتي من ناقته فقلت يأبا عَبْدِ اللَّهِ كَيْفَ يَرْفَعُ الْمُصَلِّي يَدَيْهِ فِي الصَّلَاةِ فَقَالَ وَعَنْ هَذَا تَسْأَلُنِي مَا أُحِبُّ أَنْ أَسْمَعَهُ مِنْكَ ثُمَّ قَالَ إِذَا أَحْرَمَ وَإِذَا أَرَادَ أَنْ يَرْكَعَ وَإِذَا قَالَ سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ قَالَ أَبُو عُبَيْدَةَ سَمِعْتُ هَذَا مِنْ يُونُسَ غَيْرَ مَرَّةٍ وَفِي الْمُسْتَخْرَجَةِ من سماع أشهب وابن نافع عن مَالِكٍ قَالَ يَرْفَعُ الْمُصَلِّي يَدَيْهِ إِذَا رَفَعَ رَأَسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ وَقَالَ سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ قَالَ وَلَيْسَ الرَّفْعُ بِلَازِمٍ وَفِي ذَلِكَ سَعَةٌ وَذَكَرَ الطَّبَرِيُّ قَالَ حَدَّثَنَا يُونُسُ بْنُ عَبْدِ الْأَعْلَى عَنْ أَشْهَبَ عَنْ مَالِكٍ مِثْلَ ذَلِكَ وَيَرْفَعُ مَنْ وَرَاءَ الْإِمَامِ لِرَفْعِهِ إِذَا قَالَ سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ قَالَ وَلَيْسَ رَفْعُ الْيَدَيْنِ بِاللَّازِمِ وَفِي ذَلِكَ سَعَةً
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٢]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
ʿAbd al-Wārith ibn Sufyān heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Qāsim ibn Aṣbagh heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Abū ʿUbaydah ibn Aḥmad heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Ashhab ibn ʿAbd al-ʿAzīz zei: “Ik vergezelde Mālik ibn Anas gedurende een jaar vóór zijn overlijden, en hij stierf niet zonder dat hij het opheffen van zijn handen (in het gebed) praktiseerde.”
Er werd tegen Yūnus gezegd: “Heeft Ashhab het opheffen van de handen van Mālik beschreven?” Hij zei: “Ashhab werd hier meer dan één keer over gevraagd en hij zei steeds: Hij heft zijn handen op wanneer hij de iḥrām binnengaat (de openings-takbīr verricht), wanneer hij van plan is de rukūʿ in te gaan, en wanneer hij zegt: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah.’”
Yūnus zei: “Ibn Wahb heeft mij verteld: Ik vergezelde Mālik op de weg naar de ḥajj. Toen wij een plaats bereikten die Yūnus noemde, kwam mijn kamelin dichtbij die van hem, waarna ik zei: ‘O Abū ʿAbdillāh, hoe heft degene die bidt zijn handen op in het gebed?’ Hij zei: ‘En hierover vraag je mij? Ik houd ervan dit van jou te horen.’ Daarna zei hij: ‘Wanneer hij de iḥrām binnengaat, wanneer hij van plan is de rukūʿ in te gaan, en wanneer hij zegt: “Samiʿa Allāhu liman ḥamidah.”’”
Abū ʿUbaydah zei: “Ik hoorde dit meer dan één keer van Yūnus.”
En in al-Mustakhrajah, uit de overlevering van Ashhab en Ibn Nāfiʿ van Mālik, staat dat hij zei: “De biddende heft zijn handen op wanneer hij zijn hoofd uit de rukūʿ opheft en zegt: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah.’” Hij zei: “Het opheffen van de handen is niet verplicht, en hierin is ruimte.”
Al-Ṭabarī vermeldde: “Yūnus ibn ʿAbd al-Aʿlā heeft aan ons overgeleverd van Ashhab, van Mālik, iets soortgelijks. En degenen achter de imām heffen hun handen op wanneer hij ze heft, wanneer hij zegt: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah.’” Hij zei: “Het opheffen van de handen is niet verplicht, en hierin is ruimte.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 222]
حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ مُحَمَّدٍ حَدَّثَنَا وَهْبُ بْنُ مَسَرَّةَ حَدَّثَنَا ابْنُ وَضَّاحٍ قَالَ حَدَّثَنَا أَبُو الطَّاهِرِ أَحْمَدُ بْنُ عَمْرٍو قَالَ حَدَّثَنَا ابْنُ وَهْبٍ قَالَ رَأَيْتُ مَالِكَ بْنَ أَنَسٍ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي كُلِّ خَفْضٍ وَرَفْعٍ أَوْ قَالَ كُلَّمَا خَفَضَ وَلَمْ تَزَلْ تِلْكَ صَلَاتُهُ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٣]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
Aḥmad ibn Muḥammad heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Wahb ibn Masarrah heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Ibn Waḍḥāḥ heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Abū al-Ṭāhir Aḥmad ibn ʿAmr heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Ibn Wahb heeft aan ons overgeleverd dat hij Mālik ibn Anas zijn handen zag opheffen bij iedere neerwaartse en opwaartse beweging, of hij zei: telkens wanneer hij neerboog. Dit bleef zijn manier van bidden.
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 223]
وَحَدَّثَنَا أَحْمَدُ حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ سَعِيدٍ قَالَ حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ خَالِدٍ وَسَعِيدُ بْنُ عُثْمَانَ أَنَّهُمَا سَمِعَا يَحْيَى بْنَ عُمَرَ يَقُولُ سَمِعْتُ أَبَا الْمُصْعَبِ الزُّهْرِيَّ يَقُولُ رَأَيْتُ مَالِكَ بْنَ أَنَسٍ يَرْفَعُ يَدَيْهِ إِذَا قَالَ سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ عَلَى حَدِيثِ ابْنِ عُمَرَ قَالَ أَحْمَدُ بْنُ خَالِدٍ وَكَانَ عِنْدَنَا جَمَاعَةٌ مِنْ عُلَمَائِنَا يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ فِي الصَّلَاةِ عَلَى حَدِيثِ ابْنِ عُمَرَ وَرِوَايَةُ مَنْ رَوَى ذَلِكَ عَنْ مَالِكٍ وَجَمَاعَةٌ لَا يَرْفَعُونَ إِلَّا فِي الْإِحْرَامِ عَلَى رِوَايَةِ ابْنِ الْقَاسِمِ فَمَا عَابَ هَؤُلَاءِ عَلَى هَؤُلَاءِ وَلَا هَؤُلَاءِ عَلَى هَؤُلَاءِ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٣]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
Aḥmad heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Aḥmad ibn Saʿīd heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Aḥmad ibn Khālid en Saʿīd ibn ʿUthmān hebben aan ons overgeleverd dat zij Yaḥyā ibn ʿUmar hoorden zeggen: “Ik hoorde Abū al-Muṣʿab al-Zuhrī zeggen: Ik zag Mālik ibn Anas zijn handen opheffen wanneer hij zei: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah’, gebaseerd op de overlevering van Ibn ʿUmar.”
Aḥmad ibn Khālid zei: “En onder onze geleerden was er een groep die hun handen ophief in het gebed, gebaseerd op de overlevering van Ibn ʿUmar en de overlevering van degenen die dit van Mālik hebben overgeleverd.”
“En er was een andere groep die alleen de handen ophief bij de takbīrat al-iḥrām, gebaseerd op de overlevering van Ibn al-Qāsim.”
“De ene groep bekritiseerde de andere niet, en de andere groep bekritiseerde deze niet.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 223]
وَسَمِعْتُ شَيْخَنَا أَبَا عُمَرَ أَحْمَدَ بْنَ عَبْدِ الْمَلِكِ بْنِ هَاشِمٍ رَحِمَهُ اللَّهُ يَقُولُ كَانَ أَبُو إِبْرَاهِيمَ إِسْحَاقُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ شَيْخُنَا يَرْفَعُ يَدَيْهِ كُلَّمَا خَفَضَ وَرَفَعَ عَلَى حَدِيثِ ابْنِ عُمَرَ فِي الْمُوَطَّأِ وَكَانَ أَفْضَلُ مَنْ رَأَيْتُ وَأَفْقَهُهُمْ وَأصَحُّهُمْ عِلْمًا وَدِينًا فَقَلَتْ لَهُ فَلِمَ لَا تَرْفَعُ أَنْتَ فَنَقْتَدِي بِكَ قَالَ لِي لَا أُخَالِفُ رِوَايَةَ ابْنِ الْقَاسِمِ لِأَنَّ الْجَمَاعَةَ لَدَيْنَا الْيَوْمَ عَلَيْهَا وَمُخَالَفَةُ الْجَمَاعَةِ فِيمَا قَدْ أُبِيحَ لَنَا ليس من شيم الأيمة
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٣]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
En ik hoorde onze Shaykh, Abū ʿUmar Aḥmad ibn ʿAbd al-Malik ibn Hāshim, moge Allah hem genadig zijn, zeggen: “Abū Ibrāhīm Isḥāq ibn Ibrāhīm, onze Shaykh, hief zijn handen op telkens wanneer hij neerdaalde en opstond, gebaseerd op de overlevering van Ibn ʿUmar in al-Muwaṭṭaʾ.”
Hij (Abū ʿUmar Aḥmad ibn ʿAbd al-Malik ibn Hāshim) zei: “Hij (Abū Ibrāhīm Isḥāq ibn Ibrāhīm) was de beste van degenen die ik heb gezien, de meest geleerde van hen, en de meest correcte van hen in kennis en religie.”
Er werd tegen hem (Abū Ibrāhīm Isḥāq ibn Ibrāhīm) gezegd: “Waarom hef jij het dan niet op, zodat wij jou kunnen volgen?” Hij zei tegen mij: “Ik wil de overlevering van Ibn al-Qāsim niet tegenwerken, omdat de gemeenschap bij ons vandaag deze volgt. En het tegenwerken van de gemeenschap in iets wat voor ons toegestaan is gemaakt, behoort niet tot de eigenschappen van de imams.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 223]
وَقَالَ مُحَمَّدُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عَبْدِ الْحَكَمِ الَّذِي آخُذُ بِهِ فِي رَفْعِ الْيَدَيْنِ أَنْ أَرْفَعَ عَلَى حَدِيثِ ابْنِ عُمَرَ قَالَ وَلَمْ يَرْوِ أَحَدٌ عَنْ مَالِكٍ مِثْلَ رِوَايَةِ ابْنِ الْقَاسِمِ فِي رَفْعِ الْيَدَيْنِ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٣]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
En Muḥammad ibn ʿAbdullāh ibn ʿAbd al-Ḥakam zei: “Wat betreft het opheffen van de handen, datgene wat ik volg is dat ik mijn handen ophef volgens de overlevering van Ibn ʿUmar.”
Hij zei: “Niemand heeft van Mālik een overlevering overgeleverd zoals de overlevering van Ibn al-Qāsim met betrekking tot het opheffen van de handen (over dat het alleen gebeurd bij de openingtakbir).”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 223]
وَقَالَ مَالك لَا أعرف رفع الْيَدَيْنِ فِي شَيْء من تَكْبِيرَات الصَّلَاة لَا فِي خفض وَلَا رفع قَالَ وافتتاح الصَّلَاة يرفع شَيْئا قَلِيلا إِن رفع قَالَ ابْن الْقَاسِم وَرفع الْيَدَيْنِ عِنْد مَالك فِي كل شَيْء ضَعِيف هَذِه رِوَايَة ابْن الْقَاسِم وَحكى ابْن وهب عَنهُ أَنه يرفع يَدَيْهِ للرُّكُوع وَبعد أَن يرفع رَأسه من الرُّكُوع روى عَنهُ أَشهب أَنه لَا يرفع إِلَّا فِي التَّكْبِيرَة الأولى وَقَالَ أَشهب عَنهُ أَيْضا إِن الإِمَام يرفع يَدَيْهِ إِذا قَالَ سمع الله لمن حَمده
[اختلاف الفقهاء - الطحاوي - المجلد ١ - الصفحة ١٩٩]
Al-Ṭaḥāwī vermeldde:
“Mālik zei: Ik ben niet van mening dat het opheffen van de handen gebeurd voor de neerbuiging en erna.”
“Hij zei: En bij de opening van het gebed heft hij ze een klein beetje op.”
“Ibn al-Qāsim zei: Het opheffen van de handen volgens Mālik in andere situaties (voor ruku' en erna) is zwak. Dit is de overlevering van Ibn al-Qāsim.”
“Ibn Wahb heeft van hem (Mālik) overgeleverd dat hij zijn handen ophief voor de rukūʿ en nadat hij zijn hoofd van de rukūʿ had opgeheven.”
“Ashhab heeft van hem overgeleverd dat hij ze alleen bij de eerste takbīr ophief. Ashhab heeft ook van hem overgeleverd dat de imām zijn handen opheft wanneer hij zegt: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah.’”
[Ikhtilāf al-Fuqahāʾ - Al-Ṭaḥāwī - Deel 1 - Pagina 199]
(قَالَ الشَّافِعِيُّ): وَبِهَذَا نَقُولُ فَنَأْمُرُ كُلَّ مُصَلٍّ إمَامًا، أَوْ مَأْمُومًا، أَوْ مُنْفَرِدًا؛ رَجُلًا، أَوْ امْرَأَةً؛ أَنْ يَرْفَعَ يَدَيْهِ إذَا افْتَتَحَ الصَّلَاةَ؛ وَإِذَا كَبَّرَ لِلرُّكُوعِ؛ وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنْ الرُّكُوعِ وَيَكُونُ رَفْعُهُ فِي كُلِّ وَاحِدَةٍ مِنْ هَذِهِ الثَّلَاثِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ؛ وَيُثَبِّتُ يَدَيْهِ مَرْفُوعَتَيْنِ حَتَّى يَفْرُغَ مِنْ التَّكْبِيرِ كُلِّهِ وَيَكُونُ مَعَ افْتِتَاحِ التَّكْبِيرِ، وَرَدُّ يَدَيْهِ عَنْ الرَّفْعِ مَعَ انْقِضَائِهِ.
[الأم – المجلد ١ – الصفحة ١٢٦]
Imām al-Shāfiʿī zei:
“Dit is wat wij zeggen: wij bevelen iedere persoon die bidt — of hij nu een imām is, iemand die achter de imām bidt, of iemand die alleen bidt; een man of een vrouw — om zijn handen op te heffen wanneer hij het gebed begint, wanneer hij de takbīr voor de rukūʿ zegt, en wanneer hij zijn hoofd van de rukūʿ opheft.”
“Bij elk van deze drie momenten worden de handen opgeheven ter hoogte van de schouders.”
“Hij houdt zijn handen opgeheven totdat hij de gehele takbīr heeft voltooid. Het opheffen van de handen gebeurt samen met het begin van de takbīr, en het laten zakken van de handen gebeurt samen met het einde ervan.”
[Al-Umm - Deel 1 - Pagina 126]
Hier legt Imām al-Shāfiʿī uit dat degene die bidt zijn handen op drie momenten tijdens het gebed dient op te heffen: bij het beginnen van het gebed, bij het ingaan van de rukūʿ (buiging), en bij het opstaan uit de rukūʿ.
Hij vermeldt dat de handen opgeheven worden tijdens het zeggen van “Allāhu Akbar” en weer neergelaten worden zodra de takbīr volledig is voltooid.
قَالَ: يَرْفَعُ الْمُصَلِّي يَدَيْهِ فِي أَوَّلِ رَكْعَةٍ ثَلَاثَ مَرَّاتٍ، وَفِيمَا سِوَاهَا مِنْ الصَّلَاةِ مَرَّتَيْنِ مَرَّتَيْنِ يَرْفَعُ يَدَيْهِ حِينَ يَفْتَتِحُ الصَّلَاةَ مَعَ تَكْبِيرَةِ الِافْتِتَاحِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ وَيَفْعَلُ ذَلِكَ عِنْدَ تَكْبِيرَةِ الرُّكُوعِ وَعِنْدَ قَوْلِهِ " سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ " حِينَ يَرْفَعُ رَأْسَهُ مِنْ الرُّكُوعِ وَلَا تَكْبِيرَةَ لِلِافْتِتَاحِ إلَّا فِي الْأَوَّلِ وَفِي كُلِّ رَكْعَةٍ تَكْبِيرُ رُكُوعٍ، وَقَوْلُ سَمِعَ اللَّهُ لِمَنْ حَمِدَهُ عِنْدَ رَفْعِ رَأْسِهِ مِنْ الرُّكُوعِ فَيَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي هَذَيْنِ الْمَوْضِعَيْنِ فِي كُلِّ صَلَاةٍ
[الأم - المجلد ٧ - الصفحة ٢١١]
Imām al-Shāfiʿī zei:
“Degene die bidt heft zijn handen in de eerste rakʿah drie keer op, en in de rest van het gebed telkens twee keer.”
“Hij heft zijn handen op bij het begin van het gebed met de openingstakbīr, ter hoogte van zijn schouders. Hij doet dit ook bij de takbīr voor de rukūʿ en bij zijn uitspraak: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah’, wanneer hij zijn hoofd uit de rukūʿ opheft.”
“Er is geen openingstakbīr behalve in de eerste (rakʿah). In iedere rakʿah is er de takbīr voor de rukūʿ en de uitspraak: ‘Samiʿa Allāhu liman ḥamidah’ bij het opheffen van het hoofd uit de rukūʿ. Daarom heft hij zijn handen op bij deze twee momenten in ieder gebed.”
[Al-Umm - Deel 7 - Pagina 211]
وَالْحُجَّةُ فِي هَذَا أَنَّ مَالِكًا أَخْبَرَنَا عَنْ ابْنِ شِهَابٍ عَنْ سَالِمٍ عَنْ أَبِيهِ «أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ - صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ - كَانَ إذَا افْتَتَحَ الصَّلَاةَ رَفَعَ يَدَيْهِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنْ الرُّكُوعِ رَفَعَهُمَا كَذَلِكَ، وَكَانَ لَا يَفْعَلُ ذَلِكَ فِي السُّجُودِ» (قَالَ الشَّافِعِيُّ - رَحِمَهُ اللَّهُ تَعَالَى -): أَخْبَرَنَا سُفْيَانُ عَنْ الزُّهْرِيِّ عَنْ سَالِمِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عُمَرَ عَنْ أَبِيهِ «أَنَّ رَسُولَ اللَّهِ - صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ - كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ إذَا افْتَتَحَ الصَّلَاةَ وَإِذَا أَرَادَ أَنْ يَرْكَعَ وَإِذَا أَرَادَ رَفَعَ رَأْسَهُ مِنْ الرُّكُوعِ وَلَا يَرْفَعُ فِي السُّجُودِ» قَالَ: وَرَوَى هَذَا عَنْ النَّبِيِّ - صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ - بِضْعَةَ عَشَرَ رَجُلًا (قَالَ الشَّافِعِيُّ - رَحِمَهُ اللَّهُ تَعَالَى -): أَخْبَرَنَا سُفْيَانُ عَنْ عَاصِمِ بْنِ كُلَيْبٍ عَنْ أَبِيهِ عَنْ وَائِلِ بْنِ حُجْرٍ قَالَ: «رَأَيْت رَسُولَ اللَّهِ - صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ - يَرْفَعُ يَدَيْهِ عِنْدَ افْتِتَاحِ الصَّلَاةِ وَحِينَ يُرِيدُ أَنْ يَرْكَعَ وَإِذَا رَفَعَ مِنْ الرُّكُوعِ» قَالَ: ثُمَّ قَدِمْت عَلَيْهِمْ فِي الشِّتَاءِ فَرَأَيْتهمْ يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ فِي الْبَرَانِسِ.
[الأم - المجلد ٧ - الصفحة ٢١١]
Imām al-Shāfiʿī zei:
“Het bewijs hiervoor is dat Mālik ons heeft geïnformeerd van Ibn Shihāb, van Sālim, van zijn vader (Ibn ʿUmar):
‘Dat de Boodschapper van Allah ﷺ, wanneer hij het gebed begon, zijn handen ophief ter hoogte van zijn schouders. En wanneer hij zijn hoofd uit de rukūʿ ophief, hief hij ze op dezelfde manier. En hij deed dit niet tijdens de sujūd.’”
“Sufyān heeft ons geïnformeerd van al-Zuhrī, van Sālim ibn ʿAbd Allāh ibn ʿUmar, van zijn vader (Ibn ʿUmar):
‘Dat de Boodschapper van Allah ﷺ zijn handen ophief wanneer hij het gebed begon, wanneer hij van plan was de rukūʿ in te gaan, en wanneer hij zijn hoofd uit de rukūʿ ophief. En hij hief ze niet op tijdens de sujūd.’”
“Dit is van de Profeet ﷺ overgeleverd door meer dan tien mannen.”
“Sufyān heeft ons geïnformeerd van ʿĀṣim ibn Kulayb, van zijn vader, van Wāʾil ibn Ḥujr, die zei:
‘Ik zag de Boodschapper van Allah ﷺ zijn handen opheffen bij het begin van het gebed, wanneer hij de rukūʿ wilde binnengaan, en wanneer hij opstond uit de rukūʿ.’”
“Daarna kwam ik in de winter naar hen toe en ik zag hen (de metgezellen) hun handen opheffen terwijl zij hun mantels met kappen (barānis) droegen.”
[Al-Umm - Deel 7 - Pagina 211]
(قَالَ الشَّافِعِيُّ): أَخْبَرَنَا مَالِكٌ عَنْ نَافِعٍ أَنَّ ابْنَ عُمَرَ كَانَ إذَا ابْتَدَأَ الصَّلَاةَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ وَإِذَا رَفَعَ عَنْ الرُّكُوعِ رَفَعَهُمَا كَذَلِكَ وَهُوَ يَرَى «عَنْ النَّبِيِّ - صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ - أَنَّهُ كَانَ إذَا افْتَتَحَ الصَّلَاةَ رَفَعَ يَدَيْهِ حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنْ الرُّكُوعِ رَفَعَهُمَا كَذَلِكَ»
[الأم - المجلد ٧ - الصفحة ٢٦٥]
Imām al-Shāfiʿī vermeldde:
“Mālik heeft ons geïnformeerd van Nāfiʿ, dat Ibn ʿUmar, wanneer hij het gebed begon, zijn handen ophief ter hoogte van zijn schouders. En wanneer hij opstond uit de rukūʿ, hief hij ze op dezelfde manier.
En hij was van mening dat dit gebaseerd was op de Profeet ﷺ: dat hij, wanneer hij het gebed begon, zijn handen ophief ter hoogte van zijn schouders, en wanneer hij zijn hoofd uit de rukūʿ ophief, hief hij ze op dezelfde manier.”
[Al-Umm - Deel 7 - Pagina 265]
وَكَذَلِكَ إنْ صَلَّى قَاعِدًا فِي شَيْءٍ مِنْ هَذِهِ الصَّلَوَاتِ يَرْفَعُ يَدَيْهِ لِأَنَّهُ فِي مَوْضِعِ قِيَامٍ وَكَذَلِكَ صَلَاةُ النَّافِلَةِ، وَكُلُّ صَلَاةٍ صَلَّاهَا قَائِمًا أَوْ قَاعِدًا لِأَنَّهُ كُلٌّ فِي مَوْضِعِ قِيَامٍ.
[الأم - المجلد ٧ - الصفحة ٢٧١]
Imām al-Shāfiʿī zei:
“Evenzo, als iemand zittend bidt bij een van deze gebeden, dan heft hij zijn handen op, omdat hij zich in de positie van staan bevindt. Hetzelfde geldt voor het vrijwillige gebed (nafl) en elk gebed dat hij verricht, of hij nu staand of zittend bidt, omdat al deze situaties de regelgeving van de staande positie hebben.”
[Al-Umm - Deel 7 - Pagina 271]
أَوْ مُضْطَجِعٌ يُومِئُ إيمَاءً فِي أَنْ يَرْفَعَ يَدَيْهِ
[الأم – المجلد ١ – الصفحة ١٢٧]
Imām al-Shāfiʿī zei:
“Of wanneer hij liggend bidt (door middel van gebaren), dan heft hij zijn handen op.”
[Al-Umm - Deel 1 - Pagina 127]
كَرِهْت ذَلِكَ لَهُ وَلَمْ يَكُنْ عَلَيْهِ إعَادَةُ صَلَاةٍ وَلَا سُجُودٌ لِسَهْوٍ عَمَدَ ذَلِكَ، أَوْ نَسِيَهُ، أَوْ جَهِلَهُ؛
[الأم – المجلد ١ – الصفحة ١٢٧]
Imām al-Shāfiʿī zei:
“Ik beschouw dit (het niet opheffen van de handen tijdens het gebed) als afgeraden (makrūh) voor hem. Maar hij hoeft het gebed niet opnieuw te verrichten en er is geen sujūd al-sahw (de neerknieling vanwege vergeetachtigheid) voor hem vereist, ongeacht of hij dit opzettelijk heeft nagelaten, het vergeten is, of er onwetend over was.”
[Al-Umm - Deel 1 - Pagina 127]
٢٥١ - حَدثنَا قَالَ سَأَلت ابي عَن رفع الْيَدَيْنِ فِي الصَّلَاة
فَقَالَ من رفع افضل
[مسائل عبدالله – الصفحة ٧٠]
ʿAbdullāh ibn Aḥmad vermeldde:
Ik vroeg mijn vader over het opheffen van de handen in het gebed, en hij zei:
“Degene die zijn handen opheft, dat is beter.”
[Masāʾil ʿAbdullāh - Pagina 70]
وَفِيمَا أَجَازَ لَنَا قَاسِمُ بْنُ أَحْمَدَ وَعَبَّاسُ بْنُ أَصْبَغَ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ عَبْدِ الْمَلِكِ بْنِ أَيْمَنَ عَنْ عَبْدُ اللَّهُ بْنُ أَحْمَدَ بْنِ حَنْبَلٍ قَالَ سَمِعْتُ أَبِي يَقُولُ مَنْ رَفْعِ يَدَيْهِ فَهُوَ أَفْضَلُ قَالَ وَكَانَ يَحْيَى بْنُ سَعِيدٍ وَابْنُ عُلَيَّةَ وَيَزِيدُ بْنُ هَارُونَ يَرْفَعُونَ قَالَ وَكَانَ ابْنُ عُيَيْنَةَ رُبَّمَا فَعَلَهُ وَرُبَّمَا لَمْ يَفْعَلْهُ قَالَ وَيَنْبَغِي لِكُلِّ مَصَلٍّ أَنْ يَفْعَلَهُ فَإِنَّهُ مِنَ السُّنَّةِ وَمِمَّا يَدُلُّ عَلَى أَنَّ رَفْعَ الْيَدَيْنِ لَيْسَ بِوَاجِبٍ مَا أَخْبَرَ بِهِ الْحَسَنُ عَنِ الصَّحَابَةِ أَنَّ مَنْ رَفَعَ مِنْهُمْ لَمْ يَعِبْ عَلَى مَنْ تَرَكَهُ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٦]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
En wat betreft wat Qāsim ibn Aḥmad en ʿAbbās ibn Aṣbagh aan ons hebben overgeleverd, van Muḥammad ibn ʿAbd al-Malik ibn Ayman, van ʿAbdullāh ibn Aḥmad ibn Ḥanbal, hij zei:
“Ik hoorde mijn vader zeggen: degene die zijn handen opheft, dat is beter.”
Hij (Imām Aḥmad) zei:
“Yaḥyā ibn Saʿīd, Ibn ʿUlayyah en Yazīd ibn Hārūn hieven hun handen op. Ibn ʿUyaynah deed dit soms wel en soms niet.”
Hij (Imām Aḥmad) zei:
“Het behoort voor iedere biddende persoon aanbevolen te zijn om dit te doen, want het behoort tot de Sunnah. En wat erop wijst dat het opheffen van de handen niet verplicht is, is wat al-Ḥasan heeft overgeleverd van de metgezellen: degenen onder hen die hun handen ophieven, keurden degenen die het nalieten niet af.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 226]
٢٥٣ - حَدثنَا قَالَ سَمِعت ابي سُئِلَ عَن الرّفْع فِي الصَّلَاة فَقَالَ يرفع اذا رفع رَأسه وَلَا يرفع بَين السَّجْدَتَيْنِ
حَدثنَا قَالَ رَأَيْت ابي اذا رفع رَأسه من الرُّكُوع رفع يَدَيْهِ
[مسائل عبدالله – الصفحة ٧٠]
ʿAbdullāh ibn Aḥmad vermeldde:
Ik hoorde mijn vader gevraagd worden over het opheffen van de handen in het gebed, en hij zei:
“Hij heft ze op wanneer hij zijn hoofd opheft, en hij heft ze niet op tussen de twee sujūd.”
Ik zag mijn vader (Aḥmad ibn Ḥanbal), wanneer hij zijn hoofd uit de rukūʿ ophief, zijn handen opheffen.
[Masāʾil ʿAbdullāh - Pagina 70]
رَفْعُ الْيَدَيْنِ عِنْدَ الرُّكُوعِ وَالرَّفْعِ «رأيتُ أَحْمَدَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ عِنْدَ الرُّكُوعِ وَعِنْدَ الرَّفْعِ مِنَ الرُّكُوعِ كَرَفْعِهِ عِنْدَ الِاسْتِفْتَاحِ، يُحَاذِيَانِ أُذُنَيْهِ، وَرُبَّمَا قَصَرَ عَنْ رَفْعِ الِافْتِتَاحِ» .
[مسائل أبو داود – الصفحة ٥٠]
Abū Dāwūd vermeldde:
Ik zag Aḥmad zijn handen opheffen vóór het ingaan van de rukūʿ en bij het opstaan uit de rukūʿ, op dezelfde manier als hij ze ophief bij de opening van het gebed. Ze kwamen ter hoogte van zijn oren, en soms hief hij ze iets lager dan bij de openingstakbīr.
[Masāʾil Abī Dāwūd - Pagina 50]
سَمِعْتُ أَحْمَدَ، قِيلَ لَهُ: " رَجُلٌ سَمِعَ هَذِهِ الْأَحَادِيثَ عَنِ النَّبِيِّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ، ثُمَّ لَا يَرْفَعُ، هُوَ تَامُّ الصَّلَاةِ؟ قَالَ: تَمَامُ الصَّلَاةِ لَا أَدْرِي، وَلَكِنْ هُوَ عِنْدِي فِي نَفْسِهِ مُتَغَرِّضٌ ".
[مسائل أبو داود – الصفحة ٥٠]
Abū Dāwūd vermeldde:
Aḥmad werd gevraagd:
“Een man heeft deze overleveringen van de Profeet ﷺ gehoord en heft vervolgens zijn handen niet op. Is zijn gebed volledig?”
Hij zei:
“Ik weet niet of het gebed volledig is, maar naar mijn mening is hij in zichzelf iemand die tekortschiet.”
[Masāʾil Abī Dāwūd - Pagina 50]
سَمِعْتُ أَحْمَدَ، " سُئِلَ عَنِ الرَّفْعِ إِذَا قَامَ مِنَ الثِّنْتَيْنِ؟ قَالَ: أَمَّا أَنَا، فَلَا أَرْفَعُ يَدَيَّ، فَقِيلَ لَهُ: بَيْنَ السَّجْدَتَيْنِ أَرْفَعُ يَدَيَّ؟ قَالَ: لَا ".
[مسائل أبو داود – الصفحة ٥١]
Abū Dāwūd vermeldde:
Aḥmad werd gevraagd:
“Hoe zit het met het opheffen van de handen wanneer men opstaat na de twee (eerste) rakʿahs?”
Hij zei:
“Wat mij betreft, ik hef mijn handen niet op.”
Er werd tegen hem gezegd:
“Moet ik mijn handen opheffen tussen de twee sujūd?”
Hij zei:
“Nee.”
[Masāʾil Abī Dāwūd - Pagina 51]
قال الأثرم وسمعته غيره مر يَسْأَلُ عَنْ رَفْعِ الْيَدَيْنِ عِنْدَ الرُّكُوعِ وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ قَالَ وَمَنْ شَكَّ فِي ذَلِكَ كَانَ ابْنُ عُمَرَ إِذَا رَأَى مَنْ لَا يَرْفَعُ حَصَبَهُ قَالَ وَحَدَّثَنَا أَبُو عَبْدِ اللَّهِ يَعْنِي أَحْمَدَ بْنَ حَنْبَلٍ قَالَ حَدَّثَنَا الْوَلِيدُ بْنُ مُسْلِمٍ قَالَ سَمِعْتُ زَيْدَ بْنَ وَاقِدٍ قَالَ سَمِعْتُ نَافِعًا قَالَ كَانَ ابْنُ عُمَرَ إِذَا رَأَى رَجُلًا لَا يَرْفَعُ يَدَيْهِ حَصَبَهُ وَأَمَرَهُ أَنْ يَرْفَعَ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٤]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
Al-Athram zei, en ik hoorde ook anderen dit zeggen: mensen vroegen over het opheffen van de handen bij de rukūʿ en wanneer men het hoofd ervan opheft.
Hij zei:
“Wie hierover twijfelt, moet weten dat Ibn ʿUmar, wanneer hij iemand zag die zijn handen niet ophief, hem corrigeerde.”
En Abū ʿAbdullāh, waarmee Aḥmad ibn Ḥanbal wordt bedoeld, zei:
“Al-Walīd ibn Muslim heeft aan ons overgeleverd, hij zei: Ik hoorde Zayd ibn Wāqid zeggen: Ik hoorde Nāfiʿ zeggen:
Wanneer Ibn ʿUmar een man zag die zijn handen niet ophief, dan corrigeerde hij hem en beval hij hem zijn handen op te heffen.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 224]
قِيلَ لِأَبِي عَبْدِ اللَّهِ نَذْهَبُ لِرَفْعِ الْيَدَيْنِ فِي الْقِيَامِ مِنَ اثْنَتَيْنِ أَيْضًا قَالَ لَا أَنَا أَذْهَبُ إِلَى حَدِيثِ سَالِمٍ عَنِ أبِيهِ وَلَا أَذْهَبُ إِلَى حَدِيثِ وَائِلِ بْنِ حُجْرٍ لِأَنَّهُ مُخْتَلَفٌ فِي أَلْفَاظِهِ حَدِيثُ عَاصِمِ بْنِ كُلَيْبٍ خِلَافُ حَدِيثِ عمرو بن مرة
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٤]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
Er werd tegen Abū ʿAbdullāh (Aḥmad ibn Ḥanbal) gezegd:
“Volgen wij ook het opheffen van de handen wanneer men opstaat na de twee rakʿahs?”
Hij zei:
“Nee. Ik volg niet de overlevering van Sālim van zijn vader hierover, en ik volg ook niet de overlevering van Wāʾil ibn Ḥujr, omdat de bewoordingen ervan verschillen. De overlevering van ʿĀṣim ibn Kulayb verschilt van de overlevering van ʿAmr ibn Murrah.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 224]
Hier geeft Imām Aḥmad aan dat hij niet de mening volgt van het opheffen van de handen na de eerste tashahhud.
قَالَ أَبُو بَكْرٍ الْأَثْرَمُ قِيلَ لِأَحْمَدَ بْنِ حَنْبَلٍ رَفْعُ الْيَدَيْنِ مِنَ السَّجْدَتَيْنِ فَذَكَرَ حَدِيثَ سَالِمٍ عَنِ ابْنِ عُمَرَ وَلَا يَرْفَعُ بَيْنَ السَّجْدَتَيْنِ ثُمَّ قَالَ نَحْنُ نَذْهَبُ إِلَى حَدِيثِ ابْنِ عُمَرَ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٨]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
Abū Bakr al-Athram zei:
Aḥmad ibn Ḥanbal werd gevraagd over het heffen van de handen tussen de twee neerknielingen (sajdahs). Hij noemde de ḥadīth van Sālim van Ibn ʿUmar, waarin staat dat hij zijn handen niet hief tussen de twee neerknielingen.
Vervolgens zei hij:
“Wij volgen de ḥadīth van Ibn ʿUmar.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 228]
Degenen onder de Tābiʿīn en de Atbāʿ al-Tābiʿīn die deze mening volgden, waren van oordeel dat de overleveringen over het opheffen van de handen vóór de rukūʿ en erna opgeheven waren, vanwege de overleveringen van Ibn Masʿūd, al-Barāʾ ibn ʿĀzib en anderen.
حَدَّثَنَا هَنَّادٌ، حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، عَنْ سُفْيَانَ، عَنْ عَاصِمِ بْنِ كُلَيْبٍ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ الأَسْوَدِ، عَنْ عَلْقَمَةَ، قَالَ قَالَ عَبْدُ اللَّهِ بْنُ مَسْعُودٍ أَلاَ أُصَلِّي بِكُمْ صَلاَةَ رَسُولِ اللَّهِ صلى الله عليه وسلم فَصَلَّى فَلَمْ يَرْفَعْ يَدَيْهِ إِلاَّ فِي أَوَّلِ مَرَّةٍ . قَالَ وَفِي الْبَابِ عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ . قَالَ أَبُو عِيسَى حَدِيثُ ابْنِ مَسْعُودٍ حَدِيثٌ حَسَنٌ . وَبِهِ يَقُولُ غَيْرُ وَاحِدٍ مِنْ أَهْلِ الْعِلْمِ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ صلى الله عليه وسلم وَالتَّابِعِينَ . وَهُوَ قَوْلُ سُفْيَانَ الثَّوْرِيِّ وَأَهْلِ الْكُوفَةِ .
ʿAbdullāh (ibn Masʿūd) heeft overgeleverd:
“Zal ik jullie niet het gebed van de Boodschapper van Allah ﷺ laten zien?”
Vervolgens bad hij, en hij hief zijn handen niet op behalve de eerste keer.
[Sunan al-Nasāʾī 1058, Sunan Abī Dāwūd 748, Sunan al-Tirmidhī 257]
عَبْدُ الرَّزَّاقِ،
٢٥٣٠ - عَنِ الثَّوْرِيِّ، عَنْ يَزِيدَ بْنِ أَبِي زِيَادٍ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ أَبِي لَيْلَى، عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ قَالَ: «كَانَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ إِذَا كَبَّرَ رَفَعَ يَدَيْهِ حَتَّى يُرَى إِبْهَامُهُ قَرِيبًا مِنْ أُذُنَيْهِ»
⦗٧١⦘
٢٥٣١ - عَنِ ابْنِ عُيَيْنَةَ، عَنْ يَزِيدَ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ أَبِي لَيْلَى، عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ مِثْلَهُ، وَزَادَ قَالَ: مَرَّةً وَاحِدَةً، ثُمَّ لَا تُعِدْ لِرَفْعِهَا فِي تِلْكَ الصَّلَاةِ
[مصنّف عبد الرزّاق - المجلد ٢ - الصفحة ٧٠]
ʿAbd al-Razzāq vermeldde:
Van Sufyān al-Thawrī, van Yazīd ibn Abī Ziyād, van ʿAbd al-Raḥmān ibn Abī Laylā, van al-Barāʾ ibn ʿĀzib, die zei:
“De Boodschapper van Allah ﷺ hief, wanneer hij de takbīr uitsprak, zijn handen op totdat zijn duimen dichtbij zijn oren zichtbaar waren.”
En Sufyān ibn ʿUyaynah heeft op soortgelijke wijze overgeleverd van Yazīd, van ʿAbd al-Raḥmān ibn Abī Laylā, van al-Barāʾ ibn ʿĀzib, en voegde eraan toe:
“Eén keer (hief hij de handen slechts eenmaal op), en hij herhaalde het opheffen ervan niet meer gedurende dat gebed.”
[Muṣannaf ʿAbd al-Razzāq - Deel 2 - Pagina 70]
Beide overleveringen worden als aanvaardbaar beschouwd, en Imām al-Tirmidhī verklaarde de overlevering van Ibn Masʿūd als ḥasan.
Zij gebruikten ook de handelingen van bepaalde metgezellen als bewijs voor de opheffing ervan. Er is overgeleverd dat ʿAlī en Ibn Masʿūd hun handen in het gebed niet ophieven, behalve bij de takbīrat al-iḥrām (de openingstakbīr).
وَقَالَتْ طَائِفَةٌ: يَرْفَعُ الْمُصَلِّي يَدَيْهِ حِينَ يَفْتَتِحُ الصَّلَاةَ وَلَا يَرْفَعُ فِيمَا سِوَى ذَلِكَ، هَذَا قَوْلُ سُفْيَانَ الثَّوْرِيِّ، وَأَصْحَابِ الرَّأْيِ، وَاحْتَجَّ بَعْضُهُمْ بِأَخْبَارٍ رُوُّوهَا عَنْ عُمَرَ، وَعَلِيٍّ، وَابْنِ عُمَرَ، وَالشَّعْبِيِّ، وَالنَّخَعِيِّ، وَخَيْثَمَةَ، وَإِبْرَاهِيمَ، وَابْنِ أَبِي لَيْلَى.
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحة ١٤٨]
Ibn al-Mundhir zei:
“Een groep zei: degene die bidt heft zijn handen alleen op wanneer hij het gebed begint, en heft ze niet op bij iets anders. Dit is de mening van Sufyān al-Thawrī en de Ahl al-Raʾy.
Sommigen van hen ondersteunden dit met overleveringen die zij hebben overgeleverd van ʿUmar, ʿAlī, Ibn ʿUmar, al-Shaʿbī, al-Nakhaʿī, Khaythamah, Ibrāhīm en Ibn Abī Laylā.”
[Al-Awsaṭ - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 148]
وَبِهِ يَقُولُ غَيْرُ وَاحِدٍ مِنْ أَهْلِ الْعِلْمِ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ صلى الله عليه وسلم وَالتَّابِعِينَ . وَهُوَ قَوْلُ سُفْيَانَ الثَّوْرِيِّ وَأَهْلِ الْكُوفَةِ .
[اختلاف الفقهاء - الطحاوي - المجلد ١ - الصفحة ١٩٩]
Imām al-Tirmidhī zei:
“Meer dan één persoon van de mensen van kennis onder de metgezellen van de Profeet ﷺ en de Tābiʿīn hield deze mening. En dit is de mening van Sufyān al-Thawrī en de mensen van Kūfah.”
[Sunan al-Tirmidhī 257]
قَالَهُ أَبُو عَبْدِ اللَّهِ الْمَرْوَزِيُّ أَنَّهُ لَا يَعْلَمُ مِصْرًا مِنْ أَمْصَارِ الْمُسْلِمِينَ لَا يَرْفَعُونَ أيديهم في الصلاة في غَيْرَ الِافْتِتَاحِ إِلَّا أَهْلَ الْكُوفَةِ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢١٨]
Ibn Abdul-Barr zei:
“Abū ʿAbdillāh al-Marwazī zei dat hij geen enkele streek onder de landen van de moslims kende waar zij hun handen in het gebed niet ophieven buiten de opening van het gebed, behalve de mensen van Kūfah.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 218]
١٣٩١ - حَدَّثنا إِسْمَاعِيلُ، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرٍ، قَالَ: ثنا يَحْيَى بْنُ آدَمَ، عَنْ حَسَنِ بْنِ عَيَّاشٍ، عَنْ عَبْدِ الْمَلِكِ بْنِ أَبْجَرَ، عَنِ الزُّبَيْرِ بْنِ عَدِيٍّ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، عَنِ الْأَسْوَدِ، قَالَ: «صَلَّيْتُ مَعَ عُمَرَ فَلَمْ يَرْفَعْ يَدَيْهِ فِي شَيْءٍ مِنْ صَلَاتِهِ إِلَّا حِينَ يَفْتَتِحُ الصَّلَاةَ» وَقَالَ عَبْدُ الْمَلِكِ: وَرَأَيْتُ الشَّعْبِيَّ، وَإِبْرَاهِيمَ، وَأَبَا إِسْحَاقَ لَا يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ إِلَّا حِينَ يَفْتَتِحُونَ الصَّلَاةَ.
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحتان ١٤٨-١٤٩]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Ismāʿīl heeft aan ons overgeleverd en zei: Abu Bakr heeft aan ons overgeleverd en zei: Yaḥyā ibn Ādam heeft overgeleverd van Ḥasan ibn ʿAyyāsh, van ʿAbd al-Malik ibn Abjar, van al-Zubayr ibn ʿAdī, van Ibrāhīm, van al-Aswad, die zei:
“Ik bad samen met ʿUmar en hij hief zijn handen niet op tijdens enig gedeelte van zijn gebed, behalve wanneer hij het gebed begon.”
ʿAbd al-Malik zei:
“En ik zag al-Shaʿbī, Ibrāhīm en Abū Isḥāq; zij hieven hun handen niet op, behalve wanneer zij het gebed begonnen.”
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 148-149]
٢٤٥٤ - حَدَّثَنَا يَحْيَى بْنُ آدَمَ، عَنْ حَسَنِ بْنِ عَيَّاشٍ، عَنْ عَبْدِ الْمَلِكِ بْنِ أَبْجَرَ، عَنِ الزُّبَيْرِ بْنِ عَدِيٍّ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، عَنِ الْأَسْوَدِ، قَالَ: «صَلَّيْتُ مَعَ عُمَرَ، فَلَمْ يَرْفَعْ يَدَيْهِ فِي شَيْءٍ مِنْ صَلَاتِهِ إِلَّا حِينَ افْتَتَحَ الصَّلَاةَ»
قَالَ عَبْدُ الْمَلِكِ: «وَرَأَيْتُ الشَّعْبِيَّ، وَإِبْرَاهِيمَ، وَأَبَا إِسْحَاقَ، لَا يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ إِلَّا حِينَ يَفْتَتِحُونَ الصَّلَاةَ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Yaḥyā ibn Ādam heeft aan ons overgeleverd, van Ḥasan ibn ʿAyyāsh, van ʿAbd al-Malik ibn Abjar, van al-Zubayr ibn ʿAdī, van Ibrāhīm al-Nakhaʿī, van al-Aswad, die zei:
“Ik bad samen met ʿUmar en hij hief zijn handen niet op tijdens enig gedeelte van zijn gebed, behalve wanneer hij het gebed begon.”
ʿAbd al-Malik zei:
“En ik zag al-Shaʿbī, Ibrāhīm en Abū Isḥāq; zij hieven hun handen niet op, behalve wanneer zij het gebed begonnen.”
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
١٣٨٩ - حَدَّثنا عَلِيُّ بْنُ عَبْدِ الْعَزِيزِ، قَالَ: ثنا أَبُو نُعَيْمٍ، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرٍ، يَعْنِي النَّهْشَلِيَّ، عَنْ عَاصِمِ بْنِ كُلَيْبٍ، عَنْ أَبِيهِ، أَنَّهُ كَانَ مَعَ عَلِيٍّ بِصِفِّينَ، قَالَ: «فَكَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي الْأُولَى، وَلَا يَرْفَعُ فِيمَا سِوَى ذَلِكَ».
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحة ١٤٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
ʿAlī ibn ʿAbd al-ʿAzīz heeft aan ons overgeleverd en zei: Abū Nuʿaym heeft aan ons overgeleverd en zei: Abū Bakr, namelijk al-Nahshali, heeft overgeleverd van ʿĀṣim ibn Kulayb, van zijn vader, dat hij samen met ʿAlī was tijdens de slag bij Ṣiffīn.
Hij zei dat ʿAlī zijn handen hief tijdens de eerste rakʿah en ze daarna niet meer hief op enig ander moment.
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 148]
٢٤٤٢ - حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، عَنْ أَبِي بَكْرِ بْنِ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ قِطَافٍ النَّهْشَلِيِّ، عَنْ عَاصِمِ بْنِ كُلَيْبٍ، عَنْ أَبِيهِ، «أَنَّ عَلِيًّا، كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ إِذَا افْتَتَحَ الصَّلَاةَ، ثُمَّ لَا يَعُودُ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٣]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ heeft aan ons overgeleverd, van Abū Bakr ibn ʿAbd Allāh ibn Qiṭāf al-Nahshalī, van ʿĀṣim ibn Kulayb, van zijn vader, dat ʿAlī ibn Abī Ṭālib zijn handen hief wanneer hij het gebed begon en het daarna niet herhaalde.
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 213]
١٣٩٠ - حَدَّثنا إِسْمَاعِيلُ بْنُ قُتَيْبَةَ، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرٍ، ثنا أَبُو بَكْرِ بْنُ عَيَّاشٍ، عَنْ حُصَيْنٍ، عَنْ مُجَاهِدٍ، قَالَ: «مَا رَأَيْتُ ابْنَ عُمَرَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ إِلَّا فِي أَوَّلِ مَا يَفْتَتِحُ».
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحة ١٤٨]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
Ismāʿīl ibn Qutaybah heeft aan ons overgeleverd en zei: Abū Bakr heeft aan ons overgeleverd en zei: Abū Bakr ibn ʿAyyāsh heeft overgeleverd van Ḥuṣayn, van Mujāhid, die zei:
“Ik heb Ibn ʿUmar nooit zijn handen zien heffen, behalve helemaal aan het begin van het gebed.”
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 148]
٢٤٥٢ - حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرِ بْنُ عَيَّاشٍ، عَنْ حُصَيْنٍ، عَنْ مُجَاهِدٍ، قَالَ: «مَا رَأَيْتُ ابْنَ عُمَرَ، يَرْفَعُ يَدَيْهِ إِلَّا فِي أَوَّلِ مَا يَفْتَتِحُ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Abū Bakr ibn ʿAyyāsh heeft aan ons overgeleverd, van Ḥuṣayn ibn ʿAbd al-Raḥmān, van Mujāhid ibn Jabr, die zei:
“Ik heb Ibn ʿUmar nooit zijn handen zien heffen, behalve helemaal aan het begin van het gebed.”
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
En deze overlevering werd gevolgd door de geleerden van Kūfah, die van mening waren dat men de handen alleen dient te heffen bij de takbīrat al-iḥrām (de openings-takbīr van het gebed).
وَاحْتَجَّ بَعْضُ أَهْلِ الْقَوْلِ بِحَدِيثٍ:
١٣٩٢ - حَدَّثناهُ إِسْمَاعِيلُ بْنُ قُتَيْبَةَ، قَالَ: ثنا أَبُو بَكْرِ بْنُ أَبِي شَيْبَةَ، قَالَ: ثنا وَكِيعٌ، عَنْ سُفْيَانَ، عَنْ عَاصِمٍ، هُوَ ابْنُ كُلَيْبٍ، عَنْ عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ الْأَسْوَدِ، عَنْ عَلْقَمَةَ، عَنْ عَبْدِ اللهِ أَنَّهُ قَالَ: «أَلَا أَدُلُّكُمْ عَلَى صَلَاةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ؟ فَلَمْ يَرْفَعْ يَدَيْهِ إِلَّا مَرَّةً».
[الأوسط – ابن المنذر – المجلد ٣ – الصفحة ١٤٩]
Ibn al-Mundhir vermeldde:
En sommige mensen van Ahl al-Ra'y ondersteunden hun standpunt met een overlevering:
Ismāʿīl ibn Qutaybah heeft aan ons overgeleverd en zei: Abū Bakr ibn Abī Shaybah heeft aan ons overgeleverd en zei: Wakīʿ heeft overgeleverd van Sufyān, van ʿĀṣim, namelijk ibn Kulayb, van ʿAbd al-Raḥmān ibn al-Aswad, van ʿAlqamah, van ʿAbdullāh, die zei:
“Zal ik jullie niet de manier van bidden van de Boodschapper van Allah ﷺ tonen? Hij hief zijn handen slechts één keer.”
[Al-Awsat - Ibn al-Mundhir - Deel 3 - Pagina 149]
٢٤٤٣ - حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، عَنْ مِسْعَرٍ، عَنْ أَبِي مَعْشَرٍ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ، «أَنَّهُ كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي أَوَّلِ مَا يَسْتَفْتِحُ، ثُمَّ لَا يَرْفَعُهُمَا»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٣]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ heeft aan ons overgeleverd, van Misʿar ibn Kidām, van Abū Maʿshar, van Ibrāhīm al-Nakhaʿī, van ʿAbdullāh ibn Masʿūd, dat hij zijn handen hief bij het begin van het gebed wanneer hij ermee begon, en ze daarna niet meer hief.
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 213]
عَبْدُ الرَّزَّاقِ،
٢٥٣٣ - عَنِ الثَّوْرِيِّ، عَنْ حُصَيْنٍ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، عَنِ ابْنِ مَسْعُودٍ: «كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي أَوَّلِ شَيْءٍ ثُمَّ لَا يَرْفَعُ بَعْدُ»
٢٥٣٤ - عَبْدُ الرَّزَّاقِ، عَنِ ابْنِ عُيَيْنَةَ، عَنْ حُصَيْنٍ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، عَنِ ابْنِ مَسْعُودٍ مِثْلَهُ
[المصنف لعبد الرزاق - المجلد ٢ - الصفحة ٧١]
Abdurrazzaq vermeldde:
Van al-Thawrī, van Ḥuṣayn, van Ibrāhīm, van Ibn Masʿūd, dat hij zijn handen hief aan het begin van het gebed en ze daarna niet meer hief.
[Musannaf Abdurrazzaq - Deel 2 - Pagina 71]
٢٥٣٥ - عَبْدُ الرَّزَّاقِ، عَنِ الثَّوْرِيِّ، عَنْ حَمَّادٍ قَالَ: سَأَلْتُ إِبْرَاهِيمَ عَنْ ذَلِكَ، فَقَالَ: «يَرْفَعُ يَدَيْهِ أَوَّلَ مَرَّةٍ»
[المصنف لعبد الرزاق - المجلد ٢ - الصفحة ٧١]
Abdurrazzaq vermeldde:
Van al-Thawrī, van Ḥammād, die zei:
“Ik vroeg Ibrāhīm hierover, en hij zei: ‘Hij heft zijn handen één keer.’”
[Musannaf Abdurrazzaq - Deel 2 - Pagina 71]
٢٤٤٦ - حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، وَأَبُو أُسَامَةَ، عَنْ شُعْبَةَ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ، قَالَ: «كَانَ أَصْحَابُ عَبْدِ اللَّهِ وَأَصْحَابُ عَلِيٍّ، لَا يَرْفَعُونَ أَيْدِيَهُمْ إِلَّا فِي افْتِتَاحِ الصَّلَاةِ، قَالَ وَكِيعٌ،، ثُمَّ لَا يَعُودُونَ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ en Abū Usāmah Ḥammād ibn Usāmah hebben aan ons overgeleverd, van Shuʿbah ibn al-Ḥajjāj, van Abū Isḥāq al-Sabīʿī, die zei:
“De metgezellen van ʿAbdullāh ibn Masʿūd en de metgezellen van ʿAlī ibn Abī Ṭālib hieven hun handen niet op, behalve bij het beginnen van het gebed.”
Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ voegde daaraan toe:
“Daarna herhaalden zij dit niet meer.”
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
٢٤٥٣ - حَدَّثَنَا وَكِيعٌ، عَنْ شَرِيكٍ، عَنْ جَابِرٍ، عَنِ الْأَسْوَدِ، وَعَلْقَمَةَ، «أَنَّهُمَا كَانَا يَرْفَعَانِ أَيْدِيَهُمَا إِذَا افْتَتَحَا ثُمَّ لَا يَعُودَانِ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ heeft aan ons overgeleverd, van Sharīk ibn ʿAbdullāh, van Jābir al-Juʿfī, van al-Aswad ibn Yazīd en ʿAlqamah ibn Qays, dat zij beiden hun handen hieven wanneer zij begonnen met het gebed, en dit daarna niet herhaalden.
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
٢٤٤٤ - حَدَّثَنَا ابْنُ مُبَارَكٍ، عَنْ أَشْعَثَ، عَنِ الشَّعْبِيِّ، «أَنَّهُ كَانَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي أَوَّلِ التَّكْبِيرِ، ثُمَّ لَا يَرْفَعُهُمَا»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٣]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
ʿAbdullāh ibn al-Mubārak heeft aan ons overgeleverd, van Ashʿath ibn Sawwār, van al-Shaʿbī, dat hij zijn handen hief bij de eerste takbīr en ze daarna niet meer hief.
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 213]
٢٤٤٥ - حَدَّثَنَا هُشَيْمٌ، قَالَ: أَخْبَرَنَا حُصَيْنٌ، وَمُغِيرَةُ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، أَنَّهُ كَانَ يَقُولُ: «إِذَا كبَّرْتَ فِي فَاتِحَةِ الصَّلَاةِ فَارْفَعْ يَدَيْكَ، ثُمَّ لَا تَرْفَعْهُمَا فِيمَا بَقِيَ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٣]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Hushaym ibn Bashīr heeft aan ons overgeleverd, van Ḥuṣayn ibn ʿAbd al-Raḥmān en al-Mughīrah ibn Miqsam, van Ibrāhīm al-Nakhaʿī, dat hij gewoon was te zeggen:
“Wanneer je de openings-takbīr van het gebed uitspreekt, hef dan je handen op en hef ze daarna niet meer op gedurende de rest (van het gebed).”
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 213]
٢٤٤٧ - حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرِ بْنُ عَيَّاشٍ، عَنْ حُصَيْنٍ، وَمُغِيرَةَ، عَنْ إِبْرَاهِيمَ، قَالَ: «لَا تَرْفَعْ يَدَيْكَ فِي شَيْءٍ مِنَ الصَّلَاةِ إِلَّا فِي الِافْتِتَاحَةِ الْأُولَى»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Abū Bakr ibn ʿAyyāsh heeft aan ons overgeleverd, van Ḥuṣayn ibn ʿAbd al-Raḥmān en al-Mughīrah ibn Miqsam, van Ibrāhīm al-Nakhaʿī, die zei:
“Hef je handen niet op tijdens enig gedeelte van het gebed, behalve bij de eerste openings-takbīr.”
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
٢٤٤٨ - حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرٍ عَنِ الْحَجَّاجِ، عَنْ طَلْحَةَ، عَنْ خَيْثَمَةَ، وَإِبْرَاهِيمَ، قَالَ: «كَانَا لَا يَرْفَعَانِ أَيْدِيَهُمَا إِلَّا فِي بَدْءِ الصَّلَاةِ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Abū Bakr ibn ʿAyyāsh heeft aan ons overgeleverd, van al-Ḥajjāj ibn Arṭāh, van Ṭalḥah ibn Muṣarrif, van Khaythamah en Ibrāhīm al-Nakhaʿī, dat zij beiden hun handen niet hieven behalve aan het begin van het gebed.
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
٢٤٤٨ - حَدَّثَنَا أَبُو بَكْرٍ عَنِ الْحَجَّاجِ، عَنْ طَلْحَةَ، عَنْ خَيْثَمَةَ، وَإِبْرَاهِيمَ، قَالَ: «كَانَا لَا يَرْفَعَانِ أَيْدِيَهُمَا إِلَّا فِي بَدْءِ الصَّلَاةِ»
[مصنّف ابن أبي شيبة - المجلد ١ - الصفحة ٢١٤]
Ibn Abi Shaybah vermeldde:
Abū Bakr ibn ʿAyyāsh heeft aan ons overgeleverd, van al-Ḥajjāj ibn Arṭāh, van Ṭalḥah, van Khaythamah en Ibrāhīm al-Nakhaʿī, dat zij beiden hun handen niet hieven behalve aan het begin van het gebed.
[Musannaf Ibn Abi Shaybah - Deel 1 - Pagina 214]
قَالَ أَصْحَابنَا وَابْن أبي ليلى وَالثَّوْري وَالْحسن بن حَيّ لَا يرفع يَدَيْهِ إِلَّا فِي تَكْبِيرَة الإفتتاح
[اختلاف الفقهاء - الطحاوي - المجلد ١ - الصفحة ١٩٩]
Al-Ṭaḥāwī zei:
“Onze metgezellen (Ḥanafī), evenals Ibn Abī Laylā, al-Thawrī en al-Ḥasan ibn Ḥayy, zeiden: men heft de handen niet op, behalve bij de openings-takbīr.”
[Ikhtilaf al-Fuqaha - al-Tahawi - Deel 1 - Pagina 199]
وَبِهِ يَقُولُ غَيْرُ وَاحِدٍ مِنْ أَهْلِ الْعِلْمِ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ صلى الله عليه وسلم وَالتَّابِعِينَ . وَهُوَ قَوْلُ سُفْيَانَ الثَّوْرِيِّ وَأَهْلِ الْكُوفَةِ .
[اختلاف الفقهاء - الطحاوي - المجلد ١ - الصفحة ١٩٩]
Imām al-Tirmidhī zei:
“Meer dan één van de mensen van kennis onder de metgezellen van de Profeet ﷺ en de Tābiʿīn hield deze mening erop na. En dit is de mening van Sufyān al-Thawrī en de mensen van Kūfah (waaronder Abū Ḥanīfah).”
[Sunan al-Tirmidhi 257]
وَقَالَ أَبُو بكر بن عَيَّاش مَا رَأَيْت فَقِيها يرفع يَدَيْهِ من غير التَّكْبِيرَة الأولى وَعَن عَليّ رَضِي الله عَنهُ وَابْن عمر أَنَّهُمَا كَانَا لَا يرفعان أَيْدِيهِمَا إِلَّا فِي افْتِتَاح الصَّلَاة
[اختلاف الفقهاء - الطحاوي - المجلد ١ - الصفحة ١٩٩]
Al-Ṭaḥāwī vermeldde:
“Abū Bakr ibn ʿAyyāsh zei dat hij geen enkele geleerde in fiqh had gezien die zijn handen hief, behalve bij de eerste takbīr. En er is overgeleverd van ʿAlī ibn Abī Ṭālib en ʿAbdullāh ibn ʿUmar dat zij hun handen niet hieven, behalve bij het begin van het gebed.”
[Ikhtilaf al-Fuqaha - al-Ṭaḥāwī - Deel 1 - Pagina 199]
Sommige mensen zouden over deze kwestie met elkaar strijden, terwijl de Ṣaḥābah zelf van mening verschilden over dezezelfde kwestie.
Het is niet correct om elkaar te berispen vanwege het aannemen van een andere mening hierin, omdat dit een geldig meningsverschil is onder de Ṣaḥābah.
De meeste geleerden waren van mening dat het heffen van de handen naast de takbīrat al-iḥrām een Sunnah is, en dit is de mening die ons het meest juist lijkt.
حَدَّثَنَا عَبْدُ الْوَارِثِ حَدَّثَنَا قَاسِمٌ حَدَّثَنَا أَحْمَدُ بْنُ زُهَيْرٍ قَالَ حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ يَزِيدَ قَالَ حَدَّثَنَا حَفْصُ بْنُ غِيَاثٍ قَالَ سَمِعْتُ سُفْيَانَ الثَّوْرِيَّ يَقُولُ إِذَا رَأَيْتَ الرَّجُلَ يَعْمَلُ بِعَمَلٍ قَدِ اخْتُلِفَ فِيهِ وَأَنْتَ تَرَى غَيْرَهُ فَلَا تَنْهَهُ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٩]
Ibn Abdul-Barr vermeldde:
ʿAbd al-Wārith heeft aan ons overgeleverd: Qāsim heeft aan ons overgeleverd, Aḥmad ibn Zuhayr zei: Muḥammad ibn Yazīd heeft aan ons overgeleverd, Ḥafṣ ibn Ghiyāth zei:
Ik hoorde Sufyān al-Thawrī zeggen:
“Wanneer je een man ziet handelen volgens een kwestie waarin een meningsverschil bestaat, en jij bent van mening dat het anders moet, verbied hem dan niet.”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 229]
قَالَ أَبُو عُمَرَ هَذَا يَدُلُّكَ عَلَى أَنَّ رَفْعَ الْيَدَيْنِ لَيْسَ مِنْ أَرْكَانِ الصَّلَاةِ وَلَا مِنَ الْوَاجِبِ فِيهَا وَأَنَّهُ عَلَى مَا قَدَّمْنَا فِي أَوَّلِ الْبَابِ خُضُوعٌ وَاسْتِكَانَةٌ وَاسْتِسْلَامٌ وَزِينَةُ الصَّلَاةِ كَمَا وَصَفْنَا وَهُوَ قَوْلُ الْجُمْهُورِ
[التمهيد - المجلد ٩ - الصفحة ٢٢٥]
Ibn Abdul-Barr zei:
“Dit toont aan dat het heffen van de handen niet behoort tot de pilaren (arkān) van het gebed, noch tot de verplichte handelingen ervan. Zoals wij aan het begin van dit hoofdstuk hebben vermeld, is het een uiting van nederigheid, onderwerping en volledige overgave, en een verfraaiing van het gebed zoals wij hebben beschreven. Dit is de mening van de meerderheid (jumhūr).”
[Al-Tamheed - Deel 9 - Pagina 225]
Het heffen van de handen is een Sunnah-handeling die het gebed verfraait. Het behoort niet tot de pilaren van het gebed en is ook niet verplicht, volgens de meerderheid van de geleerden.
Zit je met vragen waar je graag een antwoord op wilt krijgen? Stel jouw algemene of specifieke vraag over de Islam. We staan voor je klaar en geven je binnen 48 uur antwoord.
Vraag stellen