«واعلموا رحمكم الله أن صنفا من الجهمية اعتقدوا بمكر قلوبهم، وخبث آرائهم، وقبيح أهوائهم، أن القرآن مخلوق، فكنوا عن ذلك ببدعة اخترعوها، تمويها وبهرجة على العامة، ليخفى كفرهم، ويستغمض إلحادهم على من قل علمه، وضعفت نحيزته، فقالوا: إن القرآن الذي تكلم الله به وقاله، فهو كلام الله غير مخلوق، وهذا الذي نتلوه ونقرؤه بألسنتنا، ونكتبه في مصاحفنا ليس هو القرآن الذي هو كلام الله، هذا حكاية لذلك، فما نقرؤه نحن حكاية لذلك القرآن بألفاظنا نحن، وألفاظنا به مخلوقة، فدققوا في كفرهم، واحتالوا لإدخال الكفر على العامة بأغمض مسلك»
[الإبانة الكبرى - ابن بطة - الجزء ٥ - الصفحة ٣١٧]
Ibn Battah zei:
“Weet, moge Allah jou genadig zijn, dat een groep van de Jahmiyyah, door de sluwheid van hun harten, de verdorvenheid van hun opvattingen en de lelijkheid van hun verlangens, beweerde dat de Quran geschapen is. Zij deden dit als een innovatie, die zij verborgen en verfraaid presenteerden tegenover de gewone mensen, zodat hun ongeloof verborgen bleef en hun verdorvenheid niet zichtbaar werd voor degenen met weinig kennis en zwak begrip.
Zij zeiden: ‘De Quran waarmee Allah sprak en die Hij verkondigde, is het Woord van Allah en niet geschapen. Maar wat wij reciteren, met onze tongen lezen en in onze Mushafs schrijven, is niet de Quran die het Woord van Allah is; het is slechts een hikayah (weergave) ervan. Wat wij reciteren is slechts een hikayah van die Quran in onze woorden, en onze woorden daarin zijn geschapen.’
Denk goed na over hun ongeloof en de subtiele manieren waarop zij probeerden ongeloof onder de gewone mensen te introduceren.”
[Al-Ibanatul Kubrah - Ibn Battah - Volume 5 - Pagina 317]
Ibn Battah spreekt over de Kullabiyyah, Bishr al-Marisi en al-Ash'ari. Hij stelt dat zij tot een groep van de Jahmiyyah behoren en is duidelijk over het feit dat het ongeloof is om hun opvatting over de Quran aan te hangen.
قال الشيخ أسعده الله بطاعته: وهذه صفة الزنادقة الأشعرية، الذين ظهروا في هذا العصر، فأعرضوا عن الكتاب والأثر، واعتمدوا القياس، وقالوا بعقولهم السخيفة، ما يخالف الأثر
[مجلس في الرد على الزنادقة» (ص3)]
Ibn Mandah zei:
“Dit is de beschrijving van de Ash'ari zanadiqah (ketters) die in deze tijd zijn verschenen: zij hebben zich afgekeerd van de Quran en de profetische overleveringen, hebben zich gebaseerd op analogische redeneringen en hebben met hun zwakke verstand beweerd wat in strijd is met de overgeleverde teksten.”
[Majlis fi al-Radd 'ala al-Zanadiqah - Ibn Mandah - Pagina 3]
قال الشيخ - أسعده الله: وهذا كلام ابن عباس وغيره من الصحابة، ينفي التشبيه بخلاف ما ادعى الزنادقة والأشعريون على حملة العلم المتبعين للكتاب والأثر.
[مجلس في الرد على الزنادقة» (ص4)]
Ibn Mandah zei:
“(Nadat hij een overlevering van Ibn Abbas had genoemd over het kennen van Allah door Zijn beschrijving in de Qur’an en de Hadith:) Dit is de uitspraak van Ibn Abbas en anderen onder de Metgezellen, die elke vorm van antropomorfisme weerlegt, in tegenstelling tot wat de Ash'ari zanadiqah beweren, volgens degenen die kennis volgen en zich vasthouden aan de Quran en de profetische Sunnah.”
[Majlis fi al-Radd 'ala al-Zanadiqah - Ibn Mandah - Pagina 4]
ونقول: من زعم أن حرفا في كتاب الله من المقطوعات مثل: ألم، و: حم عسق، وأشباهها غير كلام الله وأن كلام الله ليس فيها حروف وأن هذا كلام جبريل، فقد قال بخلق القرآن، وسبيله سبيل عبدة الأوثان، نسأل الله الستر الجميل برحمته.
[مجلس في الرد على الزنادقة» (8)]
Ibn Mandah zei:
“Wij zeggen: Wie beweert dat een letter in het Boek van Allah, zoals de losse letters zoals Alif-Lām-Mīm, of Ḥā-Mīm ʿAyn-Sīn-Qāf en soortgelijke letters, geen onderdeel is van het Woord van Allah, en dat het Woord van Allah geen letters bevat, en dat dit het woord van Jibrīl is — die heeft in werkelijkheid beweerd dat de Qur’an geschapen is, en zijn weg is de weg van de afgodendienaren. Wij vragen Allah, bij Zijn barmhartigheid, om ons een goede bedekking en bescherming te schenken.”
[Majlis fi al-Radd 'ala al-Zanadiqah - Ibn Mandah - Pagina 8]
De Mushrikun van Quraysh zeiden dat de Qur’an niet het Woord van Allah is, maar het woord van Jibril. De Ash'ariyyah volgen hen in die opvatting.
قال الشيخ - أسعده الله-: وهذه صفة الأشعريين، تقول: ألفاظنا بالقرآن مخلوق، والمقروء والمتلو حكاية عن كلام الله، وأن ما بين الدفتين المكتوب حروفها مخلوقة، فهم قائلون بخلق القرآن عن غير تصريح، نسأل الله أن يحفظ علينا أدياننا، ويختم لنا بالسعادة والإسلام، برحمته.
[مجلس في الرد على الزنادقة» (8)]
Ibn Mandah zei:
“Dit is de beschrijving van de Ash'ariyyah: zij zeggen dat de woorden die wij uitspreken met betrekking tot de Qur’an geschapen zijn, dat hetgeen gereciteerd en gelezen wordt slechts een hikayah is van het Woord van Allah, en dat de letters die tussen de kaften van de mushaf geschreven staan geschapen zijn. Op deze manier beweren zij dat de Qur’an geschapen is zonder dit expliciet te zeggen. Wij vragen Allah om onze religie voor ons te behouden en ons door Zijn barmhartigheid een goed einde in de islam te schenken.”
[Majlis fi al-Radd 'ala al-Zanadiqah - Ibn Mandah - Pagina 9]
«القرآن تكلم الله به على الحقيقة ، وأنه أنزله على محمد صلى الله عليه وسلم ، وأمره أن يتحدى به ، وأن يدعو الناس إليه ، وأنه القرآن على الحقيقة. متلو في المحاريب ، مكتوب في المصاحف ، محفوظ في صدور الرجال، ليس بحكاية ولا عبارة عن قرآن ، وهو قرآن واحد غير مخلوق وغير مجعول ومربوب ، بل هو صفة من صفات ذاته ، لم يزل به متكلما ، ومن قال غير هذا فهو كافر ضال مضل مبتدع مخالف لمذاهب السنة والجماعة»
[شرح أصول اعتقاد - الجزء ٢ - الصفحة ٣٦٤]
Imam al-Lalakaee zei:
“De Qur’an is het werkelijke Woord van Allah. Hij openbaarde het aan Muhammad ﷺ, gaf hem de opdracht om ermee uit te dagen en de mensen ertoe op te roepen. Het is de Qur’an in werkelijkheid: gereciteerd in het gebed, geschreven in de mushafs en bewaard in de harten. Het is noch een hikayah (weergave), noch een 'ibarah (uitdrukking) van de Qur’an.
Het is één Qur’an, niet geschapen, niet gemaakt en niet verzonnen; het is eerder een eeuwige Eigenschap van Allah’s Wezen. Wie iets anders zegt, is een ongelovige, afgedwaalde, iemand die anderen misleidt, een innovator en iemand die in strijd is met Ahlus Sunnah wal-Jama'ah.”
[Sharh Usul I'tiqad - Volume 2 - Pagina 364]
De Eigenschap van Allah’s Spraak is eeuwig, en is niet gebonden aan zijn momenten van spraak, net zoals Hij altijd de meest Barmhartige is geweest voordat de schepping er was. Dit is de opvatting van Ahlus Sunnah met betrekking tot Zijn Spraak. Hij spreekt letterlijk, met klank en letters.
قال الهروي (ج4ص411): «ورأيت يحيى بن عمار ما لا أحصي من مرة على منبره يكفرهم ويلعنهم، ويشهد على أبي الحسن الأشعري بالزندقة، وكذلك رأيت عمر بن إبراهيم ومشائخنا»
[ذم الكلام وأهله - ت الأنصاري - مكتبة الغرباء الأثرية - المجلد ٤، الصفحة ٤١١]
Abu Isma'il al-Harawi zei:
“Ik heb Yahya ibn ‘Ammar ontelbare keren op zijn preekstoel gezien, terwijl hij hen (de Ash'ariyyah) ongelovigen verklaarde, hen vervloekte en getuigde dat Abu al-Hasan al-Ash'ari een zindiq was. Ik zag hetzelfde van Umar ibn Ibrahim en onze shaykhs.”
[Dhamm al-Kalam wa Ahlihi - Abu Ismail al-Harawi - Volume 4 - Pagina 411 - Editie: Maktabah al-Ghuraba al-Athariyyah]
وقال الهروي: وسمعت بلال بن أبي منصور المؤذن يقول: سمعت عمر بن إبراهيم يقول: «لا تحل ذبائح الأشعرية؛ لأنهم ليسوا بمسلمين، ولا بأهل كتاب، ولا يثبتون في الأرض كتاب الله»
[ذم الكلام وأهله - ت الأنصاري - مكتبة الغرباء الأثرية - المجلد ٤، الصفحة ٤١٣]
Abu Isma'il al-Harawi vermeldde:
“Ik hoorde Bilal ibn Abi Mansur, de mu'adhdhin, zeggen: Ik hoorde Umar ibn Ibrahim zeggen: ‘De offers van de Ash'ariyyah zijn niet toegestaan, omdat zij noch moslims noch Ahl al-Kitab zijn, en omdat zij niet geloven dat het Boek van Allah (de Quran) op aarde is.’”
[Dhamm al-Kalam wa Ahlihi - Abu Ismail al-Harawi - Volume 4 - Pagina 413 - Editie: Maktabah al-Ghuraba al-Athariyyah]
قال الهروي: سمعت أحمد بن حمزة وأبا علي الحداد يقولون: «وجدنا أبا العباس أحمد بن محمد النهاوندي على الإنكار على أهل الكلام وتكفير الأشعرية»
[ذم الكلام وأهله - ت الأنصاري - مكتبة الغرباء الأثرية - المجلد ٤، الصفحة ٤٠٤]
Abu Isma'il al-Harawi vermeldde:
“Ik hoorde Ahmad ibn Hamzah en Abu Ali al-Haddad zeggen: ‘Wij troffen Abu al-‘Abbas Ahmad ibn Muhammad al-Nahawandi aan terwijl hij de mutakallimin weerlegde en takfir deed op de Ash'ariyyah.’”
[Dhamm al-Kalam wa Ahlihi - Abu Ismail al-Harawi - Volume 4 - Pagina 404 - Editie: Maktabah al-Ghuraba al-Athariyyah]
Deze overlevering wordt ook genoemd in het boek "Jam' al-Juyush wal-Dasakir 'ala Ibn Asakir". Veel edities hebben ten onrechte delen van Dhamm al-Kalam verwijderd waarin takfir op de Ash'ariyyah werd vermeld, en deze overlevering is daar één van.
Hier zien we dat een grote geleerde uit die tijd, zoals al-Nahawandi, de Ash'ariyyah als ongelovigen beschouwde.
قال الهروي: «ورأيت يحيى بن عمار ما لا أحصي من مرة على منبره يكفرهم ويلعنهم، ويشهد على أبي الحسن الأشعري بالزندقة»
[ذم الكلام وأهله - ت الأنصاري - مكتبة الغرباء الأثرية - المجلد ٤، الصفحة ٤١١]
Abu Isma'il al-Harawi zei:
“Ik heb Yahya ibn ‘Ammar ontelbare keren op zijn preekstoel gezien, terwijl hij hen (de Ash'ariyyah) ongelovigen verklaarde, hen vervloekte en getuigde dat Abu al-Hasan al-Ash'ari een zindiq was.”
[Dhamm al-Kalam wa Ahlihi - Abu Ismail al-Harawi - Volume 4 - Pagina 411 - Editie: Maktabah al-Ghuraba al-Athariyyah]
قال الهروي: وسمعت أبي يقول: سمعت أبا المظفر الترمذي -هو حبال بن أحمد- إمام أهل ترمذ: «يشهد عليهم بالزندقة»
[ذم الكلام وأهله - ت الأنصاري - مكتبة الغرباء الأثرية - المجلد ٤، الصفحة ٤٠٨]
Abu Isma'il al-Harawi vermeldde:
“Ik hoorde mijn vader zeggen: Ik hoorde Abu al-Muzaffar al-Tirmidhi — en hij is Habbal ibn Ahmad, de imam van de mensen van Tirmidh — hen (de Ash'ariyyah) als zanadiqah verklaren.”
[Dhamm al-Kalam wa Ahlihi - Abu Ismail al-Harawi - Volume 4 - Pagina 408 - Editie: Maktabah al-Ghuraba al-Athariyyah]
«الأشعرية ضلال زنادقة إخوان … من عَبَدَ العُزَّى مع الَّلات
بِرَبِّهِمْ كفروا جَهْراً وقولهُمُ … إذا تدبرته أسوا المقالاتِ
ينفون ما أثبتوا عودا ببدئهم … عقائد القوم من أوهى المُحالات»
[إثبات الحدّ - الدشتي - الصفحة ٢٦٧]
Al-Dashti vermeldde:
Al-Silafi zei: “De Ash'ariyyah zijn afgedwaalden, zanadiqah, broeders van degenen die al-‘Uzza naast al-Lat aanbaden. Zij hebben openlijk ongeloof gepleegd tegenover hun Heer, en hun uitspraken — wanneer men erover nadenkt — behoren tot de slechtste uitspraken.
Zij ontkennen datgene wat zij zelf eerst hebben bevestigd; de opvattingen van deze mensen behoren tot de meest onmogelijke en verwerpelijke zaken.”
[Ithbat al-Hadd - Al-Dashti - Pagina 267]
ولقد حكى محمد بن عبد الله المالكي المغربي٤٥ وكان فقيهاً صالحاً عن الشيخ أبي سعيد البرقي٦ وهو من شيوخ فقهاء المالكيين ببرقة٧ عن أستاذه خلف المعلم٨ وكان من فقهاء المالكيين أيضاً أنه١ قال: أقام الأشعري أربعين سنة على الاعتزال، ثم أظهر التوبة، فرجع عن الفروع وثبت على الأصول.
وهذا كلام خبير بمذهب الأشعري وغوره ٢.
[ص211-210 - كتاب رسالة السجزي إلى أهل زبيد]
Al-Sijzi vermeldde:
Muhammad ibn Abdullah al-Maliki al-Maghribi — die een rechtschapen jurist was — verhaalde van Shaykh Abu Sa'id al-Barqi, één van de vooraanstaande Maliki-juristen in Barqa, van zijn leraar Khalaf al-Mu'allim, die eveneens tot de Maliki-juristen behoorde, dat hij zei:
“Al-Ash'ari bleef veertig jaar op de leer van de Mu'tazilah, waarna hij publiekelijk berouw toonde. Hij trok zich terug van de bijkomende zaken (furūʿ), maar bleef vasthouden aan de fundamentele principes (uṣūl).”
Al-Sijzi zei: “Dit is een uitspraak afkomstig van iemand die deskundig is in de leer van (Abu Hasan) al-Ash'ari en de diepere aspecten daarvan.”
[Al-Risalah ila Ahl Zabid - Al-Sijzi - Pagina 210-211]
Dit toont aan dat Abu al-Hasan al-Ash'ari een mutakallim bleef en dat hij nooit berouw toonde van de methodologie van Ahl al-Kalam. Hij verschilde slechts met de Mu'tazilah in de bijkomende zaken (furu'), maar wat betreft de fundamenten (usul) was hij het met hen eens.
Bijvoorbeeld de opvatting dat de Qur'an op aarde geschapen is en dat Allah niet letterlijk spreekt met klank en letters.
[الفصل السابع: في بيان فعلهم في إثبات الصفات في الظاهر وعدولهم إلى التأويل في الباطن]
وينبغي أن يتأمل قول الكلابية والأشعرية في الصفات، ليعلم أنهم غير مثبتين (إلهاًَ) ١ في الحقيقة، وأنهم يتخيرون من النصوص ما أرادوه، ويتركون سائرها ويخالفونه.
من ذلك اعترافهم بأن الله سبحانه موصوف بأن له يداً وأن هذه الصفة إنما عرفت من جهة السمع، وأظهروا الرد على المعتزلة في ذلك.
وأهل السنة متفقون على أن لله سبحانه يدين، بذلك ورد النص في الكتاب والأثر، قال الله تعالى: {لِمَا خَلَقْتُ بِيَدَيّ} ٢. وقال النبيّ صلى الله عليه وسلم: "وكلتا يدي الرحمن يمين" ٣. وعند الكلابية أن له يدا واحدة١ ومن أثبت له يدي صفة فقد ضل. ثم فسروا اليد وعدلوا في التفسيرعن الظاهر إلى تأويل مخالف له فعادوا إلى المعتزلة.
والأشعري أثبت يدين لكنه وافق ابن كلاب في التأويل٢.
وكل حديث جاء في الصحيح مما يتعلق في الصفات عدلوا به إلى معنى غير الصفة. منها حديث ابن مسعود عن النبيّ صلى الله عليه وسلم في قوله: {وَمَا قَدَرُوا اللَّهَ حَقَّ قَدْرِهِ وَالْأَرْضُ جَمِيعاً قَبْضَتُهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ} ٣
فقال١: "يحمل السموات على أصبع والأرضين على أصبع" ٢.
ومنها حديثه الثابت عنه عليه السلام: "قلوب العباد بين أصبعين من أصابع إلرحمن" رواه النواس بن سمعان ٣ وجماعة من الصحابة رحمهم الله١.
ومنها (حديث) ٢ أبي هريرة عن النبي صلى الله عليه وسلم: "يضحك الله سبحانه وتعالى إلى رجلين" ٣
وحديث أبي رزين١ في معناه٢.
ومن ذلك الغضب، والرضى، وغير ذلك، وقد نطق القرآن بأكثرها٣.
وعند أهل الأثر أنها صفات ذاته لا يفسر منها إلا ما فسره النبي صلى الله عليه وسلم أو الصحابي
بل نمر هذه الأحاديث على ما جاءت بعد قبولها والإيمان بها والاعتقاد بما فيها بلا كيفية١.
ولأبي بكر بن فورك الأصبهاني١ كتابان في تفسيرما ورد في القرآن من الصفات، ومعنى ما جاء في الحديث الصحيح٢ منها ما يخالف
في ... ١ أهل السنة. ومن أتقن السنة ثم تأمل كتابيه بانَ له خلاف أبي بكر بن فورك وأصحابه للحق.
[ص270-263 - كتاب رسالة السجزي إلى أهل زبيد]
Al-Sijzi zei:
“[Hoofdstuk zeven: Over het uitleggen van hun methode waarbij zij de Eigenschappen uiterlijk bevestigen, maar innerlijk hun toevlucht nemen tot interpretatie]
Het is noodzakelijk om na te denken over de uitspraken van de Kullabiyyah en de Ash'ariyyah met betrekking tot de Eigenschappen, zodat men beseft dat zij in werkelijkheid niet werkelijk bevestigen, en dat zij selectief uit de teksten kiezen wat overeenkomt met hun doelen, terwijl zij de rest verlaten en zich ertegen verzetten.
Hieronder valt dat zij erkennen dat Allah — Glorierijk en Verheven — beschreven wordt met een hand, en dat deze Eigenschap alleen bekend is door overgeleverde openbaring. Zij hebben de Mu'tazilah op dit punt openlijk weerlegd.
Ahlus Sunnah zijn het erover eens dat Allah — Glorierijk en Verheven — twee handen heeft, zoals dit vastgesteld is in de Qur’an en de hadith. Allah تعالى zegt: “Wat Ik met Mijn twee handen heb geschapen” [Qur’an 38:75]. En de Profeet ﷺ zei: “Beide handen van de Meest Barmhartige zijn rechts.”
De Kullabiyyah zijn van mening dat Hij slechts één hand heeft, en dat degene die twee handen als Eigenschap aan Hem toeschrijft, is afgedwaald. Vervolgens interpreteren zij de ‘hand’ en verlaten zij de schijnbare betekenis voor een figuurlijke interpretatie, waardoor zij terugkeren naar de positie van de Mu'tazilah.
Al-Ash'ari bevestigde twee handen, maar hij was het met Ibn Kullab eens wat betreft zijn methodologie van ta'wil.
En elke hadith die in de authentieke verzamelingen voorkomt met betrekking tot de Eigenschappen, interpreteren zij naar een betekenis anders dan de Eigenschap zelf. Daaronder valt de hadith van Ibn Mas'ud van de Profeet ﷺ betreffende Zijn Woorden: “En zij hebben Allah niet naar Zijn ware waarde geschat, terwijl de gehele aarde op de Dag der Opstanding in Zijn greep zal zijn” (Qur’an 39:67).
Hij ﷺ zei: “Hij zal de hemelen op één vinger houden en de planeten op één vinger.”
Ook behoort hiertoe zijn authentieke hadith: “De harten van de dienaren bevinden zich tussen twee vingers van de Meest Barmhartige,” overgeleverd door al-Nawwas ibn Sam'an en een groep van de Metgezellen, moge Allah genadig met hen zijn.
Ook heeft Abu Hurayrah overgeleverd dat de Profeet ﷺ zei: “Allah — Glorierijk en Verheven — lacht om twee mannen.” En de hadith van Abu Razin draagt een vergelijkbare betekenis.
Hieronder vallen ook de Eigenschappen van woede, tevredenheid en andere zaken, waarvan de meeste door de Qur’an zijn genoemd.
Volgens Ahl al-Athar zijn dit Eigenschappen van Zijn Wezen. Er wordt niets van geïnterpreteerd, behalve datgene wat de Profeet ﷺ of de Metgezellen hebben uitgelegd. Wij accepteren deze hadiths zoals zij zijn gekomen, bevestigen ze en geloven erin, zonder te vragen naar het hoe ervan.
Abu Bakr ibn Fawrak al-Asbahani schreef twee boeken over het interpreteren van hetgeen in de Qur’an is overgeleverd betreffende de Eigenschappen, en over de betekenissen van de hadiths in de authentieke verzamelingen. Sommige van zijn uitspraken zijn in strijd met Ahlus Sunnah. Wie de Sunnah beheerst en vervolgens zijn twee boeken bestudeert, zal de tegenstand van Abu Bakr ibn Fawrak en zijn metgezellen tegen de waarheid herkennen.”
[Al-Risalah ila Ahl Zabid - Al-Sijzi - Pagina 263-270]
والمعتزلة مع سوء مذهبهم أقل ضرراً على عوام أهل السنة من هؤلاء، لأن المعتزلة قد أظهرت مذهبها ولم تستقف٢ ولم تموه.
[ص270 - كتاب رسالة السجزي إلى أهل زبيد]
Al-Sijzi zei:
“En de Mu'tazilah, ondanks de gebreken in hun leer, zijn minder schadelijk voor de gewone mensen van Ahlus Sunnah dan deze anderen (de Ash'ariyyah), omdat de Mu'tazilah hun leer openlijk hebben verkondigd en deze niet hebben verborgen of vermomd.”
[Al-Risalah ila Ahl Zabid - Al-Sijzi - Pagina 270]
والكلابية والأشعرية قد أظهروا الرد على المعتزلة، والذب عن السنة وأهلها، وقالوا في القرآن وسائر الصفات ما ذكرنا بعضه، وقولهم في القرآن حيره١ يدعون قرآنا ليس بعربي وأنه الصفة الأزلية وأما هذا النظم العربي فمخلوق عندهم٢.
[ص273 - كتاب رسالة السجزي إلى أهل زبيد]
Al-Sijzi zei:
“De Kullabiyyah en de Ash'ariyyah hebben uiterlijk hun tegenstand tegen de Mu'tazilah getoond en (bepaalde aspecten van) de Sunnah en haar volgelingen verdedigd. Echter, zij hebben gesproken over de Qur’an en de overige Eigenschappen zoals wij daarvan een deel hebben genoemd.
Wat betreft de Qur’an brengen zij verwarring: zij beweren dat er een Qur’an bestaat die niet in het Arabisch is en dat dit de eeuwige Eigenschap is, terwijl deze Arabische tekst volgens hen geschapen is.”
[Al-Risalah ila Ahl Zabid - Al-Sijzi - Pagina 273]
Volgens de Ash'ariyyah is de Qur’an die wij hier op aarde hebben een tweede Qur’an, namelijk een geschapen uitdrukking van de ongeschapen Qur’an die bij Allah’s Wezen blijft. Zij zeggen dat Allah in Zichzelf spreekt, wat zij Kalam Nafsi noemen. Zij geloven dat Hij niet letterlijk spreekt, omdat Zijn Spraak volgens hen zonder klank en letters is.
Daarom geloven zij dat de Qur’an op aarde geschapen is en niet de werkelijke Qur’an, omdat zij geloven dat Allah de Qur’an niet met klank en letters heeft gesproken. Hierin komen zij overeen met de Mu'tazilah in de bewering dat de inhoud van de Mushaf geschapen is.
وقال أبو محمّد بن كلاب ومن وافقه، والأشعري وغيرهم: "القرآن غير مخلوق، ومن قال بخلقه كافر إلا أن الله لا يتكلم بالعربية، ولا بغيرها من اللغات ولا يدخل كلامه النظم، والتأليف، والتعاقب، ولا يكون حرفاً ولا صوتاً "١. فقد بان بما قالوه١ أن القرآن الذي نفوا الخلق عنه ليس بعربي، وليس له أوّل ولا آخر.
ومنكر القرآن العربي وأنه كلام الله كافر بإجماع الفقهاء٢ ومثبت قرآن لا أوّل له ولا آخر كافر بإجماعهم
[ص155-154 - كتاب رسالة السجزي إلى أهل زبيد]
Al-Sijzi zei:
“Abu Muhammad ibn Kullab, degenen die hem volgden, al-Ash'ari en anderen zeiden: ‘De Qur’an is ongeschapen, en degene die beweert dat deze geschapen is, is een ongelovige — behalve dat Allah niet in het Arabisch spreekt, noch in enige andere taal, en dat Zijn Spraak geen ordening, samenstelling of opeenvolging bevat, en ook niet uit letters of klanken bestaat.’
Uit wat zij hebben verklaard wordt duidelijk dat de Qur’an waarvan zij de schepping ontkennen, niet in het Arabisch is en geen begin of einde heeft.
Wie ontkent dat de Qur’an Arabisch is en dat het het Woord van Allah is, is volgens de consensus van de juristen een ongelovige. En wie een Qur’an bevestigt die geen begin of einde heeft, is volgens hun consensus eveneens een ongelovige.”
[Al-Risalah ila Ahl Zabid - Al-Sijzi - Pagina 154-155]
في مجلس له أشار إلى القشيري ومن معه وقال: «أى صلح يكون بيننا؟ إنما يكون الصلح بين مختصمين على ولاية، أو دنيا، أو تنازع فى ملك. فأما هؤلاء القوم: فإنهم يزعمون أنّا كفار، ونحن نزعم أن من لا يعتقد ما نعتقده كان كافرا، فأىّ صلح بيننا؟»[[9]]
[ذيل طبقات الحنابلة - الجزء ١ - الصفحة ٤٢]
Tijdens een bijeenkomst wees hij naar al-Qushayri en degenen die met hem waren en zei:
“Welke verzoening zou er tussen ons kunnen zijn? Verzoening vindt alleen plaats tussen twee partijen die van mening verschillen over een standpunt, wereldse zaken of betwist bezit. Wat deze mensen betreft: zij beweren dat wij ongelovigen zijn, en wij (de Hanabilah) beweren dat degene die niet gelooft wat wij geloven, een ongelovige is — dus welke verzoening zou er tussen ons kunnen zijn?”
[Dhayl Tabaqat al-Hanabilah - Volume 1 - Pagina 42]
«فكان آخر البدع ظهورا مذهب الأشعري وتولى نصرته الظلمة وأرباب الدنيا، وأصحاب المظالم، القائلين بما يخالف الشرع من النجامة، والفلسفة، والإدمان على المظالم، والفسق؛ لتعلم أن هذه البدعة شر البدع بظهورها آخر الزمان، وانتشارها في فاسد البلدان، وركوب دعاتها التموية والمحال، والكلام المرخرف، وفي باطنه الكفر والضلال، فزمان هذه البدعة أخبث الأزمنة وأتباعها أخبت الأمة، ودعاتها أقل أديان هذه الملة»
[الرسالة الواضحة في الرد على الأشاعرة - ابن الحنبلي - الجزء ٢ - الصفحة ٤٥٢]
Ibn al-Hanbali zei:
“De laatste van de innovaties die verschenen is, was de Ash'ari-leer. De steun ervoor werd opgenomen door de onwetenden, de wereldse mensen, de onderdrukkers en degenen die onrechtvaardigheden begaan, die spreken op een manier die in strijd is met de Wetgeving — door middel van astrologie, filosofie, voortdurende zonden en immoraliteit.
Weet dat deze innovatie de ergste van alle innovaties is vanwege haar verschijning in de latere tijden, haar verspreiding in verdorven landen, de bedrieglijke en onmogelijke beweringen van haar aanhangers en de zinloze uitspraken die ongeloof (kufr) en dwaling verbergen.
De tijd van deze innovatie is de meest verdorven van de tijden, haar volgelingen zijn de meest verdorven van de gemeenschap en haar predikers behoren tot degenen met de minste religie van deze religie.”
[Al-Risalah al-Wadihah fi al-Radd 'ala al-Ash'ariyyah - Ibn al-Hanbali - Volume 2 - Pagina 452]
فمن زعم أنه مخلوق أو عبارته أو التلاوة غير المتلو، أو قال: لفظي بالقرآن مخلوق فهو كافر بالله العظيم، ولا يخالط ولا يؤاكل ولا يناكح ولا يجاور، بل يهجر ويهان، ولا يصلى خلفه، ولا تقبل شهادته، ولا تصح ولايته في نكاح وليه، ولا يصلى عليه إذا مات، فإن ظفر به استتيب ثلاثًا كالمرتد، فإن تاب وإلا قتل.
[الغنية للطالبين لطريق الحق - عبد القادر الجيلاني - الجزء ١ - الصفحة ١٢٨]
Abdul-Qadir al-Jilani zei:
“Wie beweert dat de Qur’an geschapen is, of dat het slechts een ‘ibārah (uitdrukking) is, of dat hetgeen gereciteerd wordt iets anders is dan het oorspronkelijke, of zegt: ‘Mijn recitatie van de Qur’an is geschapen,’ die is een ongelovige in Allah, de Almachtige.
Men dient niet met hem om te gaan, met hem te eten, met hem te trouwen of dicht bij hem te wonen. Integendeel, hij dient vermeden en vernederd te worden. Het gebed mag niet achter hem verricht worden, zijn getuigenis wordt niet aanvaard, zijn voogdijschap in het huwelijk is ongeldig en de janazah wordt niet voor hem verricht als hij sterft.
Als hij gevangen wordt genomen, wordt hem drie keer gevraagd berouw te tonen, zoals bij een afvallige. Als hij berouw toont, dan is dat goed; zo niet, dan wordt de doodstraf op hem toegepast.”
[Al-Ghunyah li al-Talibin Tariq al-Haqq - Abdul-Qadir al-Jilani - Volume 1 - Pagina 128]
وَهَذَا حَال هَؤُلَاءِ الْقَوْم لَا محَالة فهم زنادقة بِغَيْر شكّ فَإِنَّهُ لَا شكّ فِي أَنهم يظهرون تَعْظِيم الْمَصَاحِف إيهاما أَن فِيهَا الْقُرْآن ويعتقدون فِي الْبَاطِن أَنه لَيْسَ فِيهَا إِلَّا الْوَرق والمداد ويظهرون تَعْظِيم الْقُرْآن ويجتمعون لقرَاءَته فِي المحافل والأعرية ويعتقدون أَنه من تأليف جِبْرِيل وَعبارَته ويظهرون أَن مُوسَى سمع كَلَام الله من الله ثمَّ يَقُولُونَ لَيْسَ بِصَوْت
وَيَقُولُونَ فِي أذانهم وصلواتهم أشهد ان مُحَمَّدًا رَسُول الله ويعتقدون أَنه انْقَطَعت رسَالَته ونبوته بِمَوْتِهِ وَأَنه لم يبْق رَسُول الله وَإِنَّمَا كَانَ رَسُول الله فِي حَيَاته وَحَقِيقَة مَذْهَبهم أَنه لَيْسَ فِي السَّمَاء إِلَه وَلَا فِي الأَرْض قُرْآن وَلَا أَن مُحَمَّدًا رَسُول الله وَلَيْسَ فِي أهل الْبدع كلهم من يتظاهر بِخِلَاف مَا يَعْتَقِدهُ غَيرهم وَغير من أشبههم من الزَّنَادِقَة
[ص51-50 - كتاب المناظرة في القرآن]
Ibn Qudamah zei:
“Dit is zonder twijfel de toestand van deze mensen — zij zijn zeker zanadiqah, zonder enige twijfel. Er bestaat namelijk geen twijfel over dat zij uiterlijk eerbied tonen voor de mushafs (geschreven exemplaren van de Qur’an) om de indruk te wekken dat de Qur’an daarin aanwezig is, terwijl zij innerlijk geloven dat deze slechts papier en inkt bevatten. Zij tonen uiterlijk eerbied voor de Qur’an en komen bijeen om deze te reciteren in openbare bijeenkomsten en ceremonies, terwijl zij innerlijk geloven dat het slechts de samenstelling en uitdrukking van Jibril is. Zij beweren uiterlijk dat Musa het Woord van Allah van Allah hoorde, en vervolgens zeggen zij dat dit zonder geluid was.
Zij zeggen in hun oproep tot het gebed en in hun gebeden: ‘Ik getuig dat Muhammad de Boodschapper van Allah is,’ terwijl zij geloven dat zijn boodschap en profeetschap eindigden met zijn dood, en dat hij niet langer de Boodschapper van Allah is — maar dat hij alleen tijdens zijn leven de Boodschapper van Allah was.
De ware realiteit van hun leer is dat er geen God in de hemelen is, noch een Qur’an op aarde, noch dat Muhammad de Boodschapper van Allah is.
Van alle mensen van innovatie is er niemand die uiterlijk meer het tegenovergestelde toont van wat zij innerlijk geloven dan zij en degenen die op hen lijken van de zanadiqah.”
[Al-Manadharah fi al-Quran - Pagina 50-51]
Ibn Qudamah is zeer streng in zijn uitspraken over de Ash'ariyyah, zoals duidelijk blijkt uit zijn woorden. Hoe kunnen sommigen dan beweren dat hij een mufawwid was, terwijl hij de Ash'ariyyah als zanadiqah beschouwde?
Vervolgens gaat hij verder door zich streng uit te laten over de oprichter van de Ash'ariyyah: Abu al-Hasan al-Ash'ari:
وَمن الْعجب أَن إمَامهمْ الَّذِي أنشأ هَذِه الْبِدْعَة رجل لم يعرف بدين وَلَا ورع وَلَا شَيْء من عُلُوم الشَّرِيعَة الْبَتَّةَ وَلَا ينْسب إِلَيْهِ من الْعلم إِلَّا علم الْكَلَام المذموم وهم يعترفون بِأَنَّهُ أَقَامَ على الاعتزال أَرْبَعِينَ عَاما ثمَّ أظهر الرُّجُوع عَنهُ فَلم يظْهر مِنْهُ بعد التَّوْبَة سوى هَذِه الْبِدْعَة فَكيف تصور فِي عُقُولهمْ أَن الله لَا يوفق لمعْرِفَة الْحق إِلَّا عدوه وَلَا يَجْعَل الْهدى إِلَّا مَعَ من لَيْسَ لَهُ فِي علم الاسلام نصيب وَلَا فِي الدّين حَظّ ثمَّ إِن هَذِه الْبِدْعَة مَعَ ظُهُور فَسَادهَا وَزِيَادَة قبحها قد انتشرت انتشارا كثيرا وَظَهَرت ظهورا عَظِيما وأظنها آخر الْبدع وأخبثها وَعَلَيْهَا تقوم السَّاعَة وَأَنَّهَا لَا تزداد إِلَّا كَثْرَة وانتشارا
[ص51 - كتاب المناظرة في القرآن]
Ibn Qudamah zei:
“Een van de verbazingwekkende zaken is dat de imam (leider) van hen die deze innovatie heeft geïntroduceerd, een man was die niet bekendstond om religie, noch om vroomheid, noch om enige kennis van de Sharia. Hij werd nergens aan toegeschreven behalve aan de verwerpelijke kennis van ‘ilm al-kalam. Zij erkennen zelf dat hij veertig jaar de leer van i'tizal (Mu'tazilisme) volgde en daarna beweerde daarvan afstand te hebben genomen — maar na zijn ‘berouw’ verscheen er niets van hem behalve deze innovatie.
Hoe kunnen zij dan denken dat Allah niemand naar de waarheid zou leiden behalve Zijn vijand, en dat Hij leiding alleen zou plaatsen bij iemand die geen aandeel heeft in de kennis van de islam en geen deel uitmaakt van de religie?
Bovendien heeft deze innovatie — ondanks het duidelijke bewijs van haar verdorvenheid en de toenemende lelijkheid ervan — zich wijd verspreid en is zij sterk verschenen. Ik vermoed dat dit de laatste van de innovaties is en de meest verdorvene daarvan. Hierop zal het Uur (de Dag der Opstanding) gevestigd worden. En zij zal alleen maar blijven toenemen in aantal en zich verder verspreiden.”
[Al-Manadharah fi al-Quran - Pagina 51-53]
ومدار الْقَوْم على القَوْل بِخلق الْقُرْآن ووفاق الْمُعْتَزلَة وَلَكِن أَحبُّوا ان لَا يعلم بهم فارتكبوا مُكَابَرَة العيان وَجحد الْحَقَائِق وَمُخَالفَة الْإِجْمَاع ونبذ الْكتاب وَالسّنة وَرَاء ظُهُورهمْ وَالْقَوْل بِشَيْء لم يقلهُ قبلهم مُسلم وَلَا كَافِر
[ص34 - كتاب المناظرة في القرآن]
Ibn Qudamah zei:
“De basis van hun leer is de bewering dat de Qur’an geschapen is, in overeenstemming met de Mu'tazilah. Maar zij verkozen dit te verbergen, waardoor zij hun toevlucht namen tot het ontkennen van datgene wat duidelijk zichtbaar is, het verwerpen van werkelijkheden, het tegengaan van de consensus, het verlaten van het Boek en de Sunnah, en het zeggen van iets wat geen enkele moslim of ongelovige vóór hen ooit heeft gezegd.”
[Al-Manadharah fi al-Quran - Pagina 34]
وَمن الْعجب انهم لَا يتجاسرون على إِظْهَار قَوْلهم وَلَا التَّصْرِيح بِهِ إِلَّا فِي الخلوات وَلَو أَنهم وُلَاة الْأَمر وأرباب الدولة وَإِذا حكيت عَنْهُم مقالتهم الَّتِي يعتقدونها كَرهُوا ذَلِك وأنكروا وكابروا عَلَيْهِ وَلَا يتظاهرون إِلَّا بتعظيم الْقُرْآن وتبجيل الْمَصَاحِف وَالْقِيَام لَهَا عِنْد رؤيتها وَفِي الخلوات يَقُولُونَ مَا فِيهَا إِلَّا الْوَرق والمداد وَأي شَيْء فِيهَا وَهَذَا فعل الزَّنَادِقَة
[ص34 - كتاب المناظرة في القرآن]
Ibn Qudamah zei:
“Het verbazingwekkende is dat zij hun overtuiging niet durven bekend te maken, noch deze openlijk uitspreken — behalve in geheime bijeenkomsten — en alleen wanneer zij zich onder gezaghebbers of heersers bevinden. Als jij hun overtuiging vermeldt als iets wat zij daadwerkelijk geloven, dan haten zij dat, ontkennen zij het en gaan zij ertegenin.
Uiterlijk lijken zij de Qur’an te verheerlijken, de fysieke mushaf te eren en zelfs ervoor op te staan wanneer zij deze zien. Maar in het geheim zeggen zij: ‘Er zit niets anders in dan papier en inkt — wat zit er eigenlijk in?’ Dit is precies het gedrag van de zanadiqah.”
[Al-Manadharah fi al-Quran - Pagina 34]
٤٤٤ - عبْد الساتر بْنُ عبْدِ الحميدِ (١) بنِ مُحَمَّدِ بْنِ أَبِي بَكْرِ بْنِ مَاضِي المَقْدِسِيُّ الفَقِيْهُ، تَقِى الدِّيْنِ، أَبُو مُحَمَّدٍ. سَمِعَ مِنْ مُوسَى بْنِ عَبْدِ القَادِرِ، وَابْنِ الزَّبِيْدِيِّ، وَالشَّيْخُ مُوَفَّقِ الدِّيْنِ وَغَيْرِهِمْ. وَتَفَقَّهَ عَلَى التَّقِيِّ بْنِ العِزِّ، وَمَهَرَ فِي المَذْهَبِ، وَعُنِيَ بِالسُّنَّةِ، وَجَمَعَ فِيْهَا، وَنَاظَر الخُصُوْمَ وَكَفَّرَهُمْ، وَكَانَ صَاحِبَ جُرْأَةٍ، وَتَحَرُّقٍ عَلَى الأشعَرِيَّةِ، فَرَمَوْهُ بِالتَّجْسِيْمِ.
[ذيل طبقات الحنابلة - الجزء ٤ - الصفحة ١٥٦]
ʿAbd al-Sātir ibn ʿAbd al-Ḥamīd ibn Muḥammad ibn Abī Bakr ibn Mādhī al-Maqdisī, de jurist, vroom in zijn religie, bekend als Abū Muḥammad. Hij studeerde onder Mūsā ibn ʿAbd al-Qādir, Ibn al-Zubaydī, al-Shaykh Muwafaq al-Dīn en anderen. Hij beheerste de fiqh onder al-Taqī ibn al-ʿIzz, blonk uit in de wetschool, wijdde zich aan de Sunnah en verzamelde kennis daarover. Hij debatteerde met zijn tegenstanders (de Ash'ariyyah) en deed takfir op hen. Hij was standvastig en ijverig in zijn weerlegging van de Ash'ariyyah, die hem beschuldigden van antropomorfisme (tajsīm).
[Dhayl Tabaqat al-Hanabilah - Volume 4 - Pagina 156]
«ونعتقد أن الحروف المكتوبة والأصوات المسموعة عين كلام الله عز وجل، لا حكاية ولا عبارة» ثم قال: «فمن لم يقل إن هذه الأحرف عين كلام الله عز وجل فقد مرق من الدين، وخرج عن جملة المسلمين»
[ص141-140 - كتاب الاقتصاد في الاعتقاد للمقدسي]
Abdul-Ghaniy al-Maqdisi zei:
“Wij geloven dat de geschreven letters en de hoorbare recitaties (van de Qur’an) het werkelijke Woord van Allah, de Verhevene, zijn — niet slechts een hikayah en ook niet slechts een 'ibarah.
Wie niet zegt dat deze letters het werkelijke Woord van Allah, de Verhevene, zijn, is afgeweken van de religie en heeft de geloofsgemeenschap van de moslims verlaten.”
[Al-Iqtisad fi al-I'tiqad - Abdul-Ghaniy al-Maqdisi - Pagina 140-141]
فأخذا الجواب (١) وذهبا فأطالا الغيبة ثم رجعا, ولم يأتيا بكلام محصل إلا طلب الحضور، فأغلظت لهم في الجواب، وقلت لهم بصوت رفيع (٢): يا مبدلين (٣) يا مرتدين (٤) عن الشريعة يا زنادقة (٥)
[التسعينية - ابن تيمية - المجلد ١ - الصفحة ١١٨]
Ibn Taymiyyah zei:
“Zij namen (de Ash'ari bewakers) de reactie mee en gingen weg, waarbij zij hun afwezigheid verlengden. Vervolgens keerden zij terug en brachten geen samenvatting van de discussie mee, behalve het verzoek om mijn aanwezigheid.
Ik reageerde scherp op hen en zei met luide stem: ‘O Mubaddilun (zij die de religie veranderen), O Murtaddun (afvalligen) van de Sharia, O Zanadiqah (ketters)!’”
[Al-Tis'eeniyyah - Ibn Taymiyyah - Volume 1 - Pagina 118]
Dit zijn scherpe woorden van Ibn Taymiyyah gericht aan de Ash'ari-bewakers die hem gevangen hielden. Hij noemde hen zanadiqah en murtaddun, wat een duidelijke takfir van de Ash'ariyyah lijkt aan te tonen.
Echter, Ibn Taymiyyah maakte onderscheid tussen degenen die onwetend waren en degenen die de verzen en overleveringen over de Eigenschappen van Allah hadden gezien, maar er toch voor kozen deze te verwerpen door middel van ta'wil.
Wat betreft deze bewakers: Ibn Taymiyyah beschouwde hen niet als verontschuldigbaar, omdat zij de verzen en overleveringen kenden, maar deze alsnog negeerden en verwierpen, terwijl zij volhardden in ta'til door middel van ta'wil/tafwid.
وفي [الجامع لسيرة شيخ الإسلام (ص50)] جاء جماعة من المشايخ التدامرة نحو سنة (708هـ) إلى ابن تيمية وقالوا: «يا سيدي قد حمَّلونا كلامًا نقوله لك، وحلَّفونا أنه ما يطَّلِع عليه غيرنا: أن تنزِلَ لهم عن مسألة العرش ومسألة القرآن، ونأخذ خطك بذلك، نوقف عليه السلطان ونقول له: هذا الذي حَبَسْنا ابن تيمية عليه، قد رجع عنه، ونَقْطع نحن الورقة» فقال لهم الشيخ: «تدعونني أن أكتب بخطي أنه ليس فوق العرش إله يُعبد، ولا في المصاحف قرآن، ولا لله في الأرض كلام؟ ! ودقَّ بعمامته الأرضَ، وقام واقفًا ورفع برأسه إلى السماء، وقال: اللهم إني أشهدك على أنهم يدعونني أن أكفر بك وبكتبك ورسلك، وأن هذا شيءٌ ما أعمله» ثم دعا عليهم.
[ص50 - كتاب الجامع لسيرة شيخ الإسلام ابن تيمية]
Er wordt overgeleverd dat een groep shaykhs uit Tadmur rond het jaar 708 AH naar Ibn Taymiyyah kwam en zei:
“O onze meester, zij hebben ons opgedragen een boodschap aan jou over te brengen en ons laten zweren dat niemand anders hiervan zou weten: dat jij toegeeft aan hen betreffende de kwestie van de Troon en de kwestie van de Qur’an. Wij zullen een geschreven verklaring van jou meenemen en deze aan de Sultan presenteren, zeggende: ‘Dit is waarvoor wij Ibn Taymiyyah hebben opgesloten, en nu heeft hij ervan teruggetrokken.’ Vervolgens zullen wij het document verscheuren.”
De Shaykh antwoordde: “Jullie vragen mij om met mijn eigen hand te schrijven dat er geen God boven de Troon is die aanbeden wordt, dat er geen Qur’an in de mushafs is en dat Allah geen Spraak op aarde heeft?!”
Vervolgens sloeg hij zijn tulband op de grond, stond op, hief zijn hoofd naar de hemel en zei: “O Allah, ik getuig tegenover U dat zij mij oproepen om niet in U, Uw Boeken en Uw Boodschappers te geloven — en dit zal ik nooit doen.”
Daarna deed hij du'a tegen hen.”
[Al-Jami' li Siyar - Muhammad 'Azir Shams - Pagina 50]
Hieruit blijkt dat Ibn Taymiyyah de Ash'ari-opvatting als ongeloof beschouwde — zowel bij hun vroege als latere geleerden — vooral met betrekking tot hun opvattingen over de Qur’an, de Spraak van Allah en Zijn verhevenheid (ʿuluww).
وقال: «ولهذا يعترف هذا الرازي بأن النزاع بينهم وبين المعتزلة في الرؤية قريب من اللفظي فعلم أن هؤلاء حقيقة باطنهم باطن المعتزلة الجهمية المعطلة وإن كان ظاهرهم ظاهر أهل الإثبات كما أن المعتزلة عند التحقيق حقيقة أمرهم أمر الملاحدة نفاة الأسماء والصفات بالكلية وإن تظاهروا بالرد عليهم والملاحدة حقيقة أمرهم حقيقة من يجحد الصانع بالكلية هذا لعمري عند التحقيق»
[بيان تلبيس الجهمية - ابن تيمية - الجزء ٤ - الصفحة ٤٠١]
Ibn Taymiyyah zei:
“Deze al-Razi erkent dat het verschil tussen hen (de latere Ash'ariyyah) en de Mu'tazilah betreffende al-ru'yah (het zien van Allah) bijna slechts een verschil in woorden is. Dit komt omdat hij wist dat hun innerlijke werkelijkheid in feite dezelfde is als de innerlijke werkelijkheid van de Mu'tazilah-Jahmiyyah van ontkenning, ook al lijkt hun uiterlijke verschijning op die van Ahl al-Ithbat.
Net zoals de Mu'tazilah, wanneer men hun zaak nauwkeurig onderzoekt, in werkelijkheid hetzelfde zijn als de atheïsten — doordat zij de Namen en Eigenschappen volledig ontkennen — ook al lijken zij uiterlijk de atheïsten te weerleggen.
En de werkelijkheid van de atheïsten is dezelfde als die van degenen die de Schepper volledig ontkennen. Dit is naar mijn mening de werkelijkheid wanneer men de zaak grondig onderzoekt.”
[Bayan Talbis al-Jahmiyyah - Ibn Taymiyyah - Volume 4 - Pagina 401]
Ibn Taymiyyah legt uit dat de latere Ash'ariyyah in essentie dezelfde overtuigingen hebben, waarbij de verschillen slechts betrekking hebben op bewoordingen of kleine details.
Hij legt uit dat de latere Ash'ariyyah in werkelijkheid sterk lijken op de Mu'tazilah, ook al lijken zij uiterlijk tegen hen in te gaan.
قَدْ كَفَّرَ أَحْمَد بْنُ حَنْبَلٍ وَوَكِيعٌ وَغَيْرُهُمَا مَنْ قَالَ بِقَوْلِ جَهْمٍ فِي الْإِيمَانِ الَّذِي نَصَرَهُ أَبُو الْحَسَنِ. وَهُوَ عِنْدَهُمْ شَرٌّ مِنْ قَوْلِ الْمُرْجِئَةِ
[مجموع الفتاوى - ابن تيمية - الجزء ٧ - الصفحة ١٢٠]
Ibn Taymiyyah zei:
“Ahmad ibn Hanbal, Waki‘ en anderen deden takfir op degene die de positie van Jahm met betrekking tot Iman aannam. Abu al-Hasan al-Ash'ari volgt in deze kwestie de mening van Jahm. En volgens hen (Ahmad, Waki‘ en anderen) is het aannemen van deze opvatting erger dan de opvatting van de Murjiah.”
[Majmu' al-Fatawa - Ibn Taymiyyah - Volume 7 - Pagina 120]
Ibn Taymiyyah erkent dat Abu al-Hasan al-Ash'ari een opvatting van kufr aannam door de mening van Jahm met betrekking tot Iman te volgen.
نعم وُقُوع الْغَلَط فِي مثل هَذَا يُوجب مَا نقُوله دَائِما إِن الْمُجْتَهد فِي مثل هَذَا من الْمُؤمنِينَ إِن استفرغ وَسعه فِي طلب الْحق فَإِن الله يغْفر لَهُ خطأه وَإِن حصل مِنْهُ نوع تَقْصِير فَهُوَ ذَنْب لَا يجب ان يبلغ الْكفْر وَإِن كَانَ يُطلق القَوْل بِأَن هَذَا الْكَلَام كفر كَمَا أطلق السّلف الْكفْر على من قَالَ بِبَعْض مقالات الْجَهْمِية مثل القَوْل بِخلق الْقُرْآن أَو إِنْكَار الرُّؤْيَة أَو نَحْو ذَلِك مِمَّا هُوَ دون إِنْكَار علو الله على الْخلق وَأَنه فَوق الْعَرْش فَإِن تَكْفِير صَاحب هَذِه الْمقَالة كَانَ عِنْدهم من أظهر الْأُمُور فَإِن التَّكْفِير الْمُطلق مثل الْوَعيد الْمُطلق لَا يسْتَلْزم تَكْفِير الشَّخْص الْمعِين حَتَّى تقوم عَلَيْهِ الْحجَّة الَّتِي تكفر تاركها
[الاستقامة - ابن تيمية - الجزء ١ - الصفحتان ١٦٣-١٦٤]
Ibn Taymiyyah zei:
“Inderdaad, een fout maken in zaken zoals deze leidt tot hetgeen wij altijd zeggen: een mujtahid in dergelijke kwesties blijft behoren tot de gelovigen wanneer hij al zijn inspanning heeft verricht in het zoeken naar de waarheid. Allah vergeeft zijn fout, en als er enige tekortkoming van zijn kant plaatsvindt, dan is dat een zonde, maar het betekent niet noodzakelijkerwijs ongeloof.
Hoewel er soms wordt gezegd dat dergelijke uitspraken ongeloof zijn — zoals de vroege geleerden (al-salaf) de term ongeloof toepasten op degenen die bepaalde opvattingen van de Jahmiyyah uitten, zoals de bewering dat de Qur’an geschapen is, het ontkennen van het zien van Allah (al-ru’yah), of soortgelijke zaken zoals het ontkennen van Allah’s verhevenheid boven Zijn schepping en Zijn positie boven de Troon — was het verklaren van degene die zo’n opvatting had als ongelovige voor hen een zaak van duidelijke evidentie.
Algemene verklaringen van ongeloof, net zoals algemene waarschuwingen, maken een specifieke persoon niet automatisch tot een ongelovige totdat het bewijs dat dit tegen hem vereist wordt gevestigd.”
[Al-Istiqamah - Ibn Taymiyyah - Volume 1 - Pagina 163-164]
Ibn Taymiyyah legt uit dat wanneer iemand een kufr-opvatting aanneemt vanwege een verkeerd begrip of onwetendheid omtrent de religieuze teksten, hij eerst geïnformeerd en geleid moet worden voordat hij als ongelovige wordt bestempeld.
Dit wordt vooral duidelijk wanneer men kijkt naar mensen die nieuw zijn toegetreden tot de islam. Niemand zou een bekeerling tot ongelovige verklaren enkel omdat hij een Arabisch woord in de Qur’an verkeerd heeft begrepen, waardoor hij ten onrechte zou geloven dat Allah geen Handen heeft, terwijl Hij die wel heeft.
De juiste aanpak zou zijn om de bekeerling de correcte betekenis van het vers te leren. Hoewel het oorspronkelijke misverstand technisch gezien onder een kufr-opvatting kan vallen, wordt de persoon niet als ongelovige beschouwd vanwege zijn oprechte onwetendheid over de waarheid.
Dit weerspiegelt de methodologie van Ibn Taymiyyah: hij staat erom bekend dat hij vooraanstaande geleerden onder de Ash'ariyyah verontschuldigde, omdat hij hun fouten zag als voortkomend uit een verkeerd begrip of onwetendheid over de waarheid. Hoewel hij erkent dat hun opvattingen over de Qur’an, de Spraak van Allah en het ontkennen van Zijn Uluww tot grote kufr behoren, beschouwt hij hen alleen verantwoordelijk op basis van hun kennis en situatie.
Sommigen zouden Ibn Taymiyyah kunnen begrijpen alsof hij zegt dat filosofen eveneens beloond kunnen worden voor het zoeken naar de waarheid door middel van filosofie. Ibn Taymiyyah beperkt deze beloning echter tot degenen die naar de waarheid streven door middel van de Qur’an en Hadith, en niet door uitsluitend filosofische redeneringen.
ولا ريب أن من اجتهد في طلب الحق والدين من جهة الرسول صلى الله عليه وسلم، وأخطأ في بعض ذلك فالله يغفر له خطأه، تحقيقاً للدعاء الذي استجابه الله لنبيه وللمؤمنين حيث قالوا: {ربنا لا تؤاخذنا إن نسينا أو أخطأنا} (البقرة: ٢٨٦) .
[درء تعارض العقل والنقل - ابن تيمية - الجزء ٢ - الصفحة ١٠٣]
Ibn Taymiyyah zei:
“Er bestaat geen twijfel over dat degene die zich inspant om de waarheid en de religie te zoeken op basis van de onderrichtingen van de Boodschapper ﷺ, en daarin een fout maakt, Allah zijn fout zal vergeven. Dit vervult de smeekbede die Allah heeft aanvaard van Zijn Profeet en de gelovigen toen zij zeiden:
‘Onze Heer, straf ons niet als wij vergeten of een fout maken.’ (Al-Baqarah: 286)”
[Dar-u Ta'arud al-'Aql wal-Naql - Ibn Taymiyyah - Volume 2 - Pagina 103]
فَإِنْ قَالُوا: إِنَّمَا أَشَارَ إِلَى حِكَايَةِ مَا فِي نَفْسِهِ وَعِبَارَتِهِ وَهُوَ الْمَتْلُوُّ الْمَكْتُوبُ الْمَسْمُوعُ، فَأَمَّا أَنْ يُشِيرَ إِلَى ذَاتِهِ فَلَا - فَهَذَا صَرِيحُ الْقَوْلِ بِأَنَّ الْقُرْآنَ مَخْلُوقٌ، بَلْ هُمْ فِي ذَلِكَ أَكْفَرُ مِنَ الْمُعْتَزِلَةِ
[شرح العقيدة الطحاوية - الجزء ١ - الصفحة ٢٠٣]
Ibn Abi al-'Izz al-Hanafi zei:
“Als zij (de Ash'ariyyah) zeggen: ‘Hij verwees er alleen naar als een hikayah/'ibarah (weergave/uitdrukking) van datgene wat in Zijn Zelf is, en dat het datgene is wat wordt uitgedrukt door recitatie, geschreven en gehoord, maar dat het niet datgene is wat zich werkelijk in Zijn Wezen bevindt’ — dan is dit een duidelijke uitspraak dat zij geloven dat de Qur’an geschapen is.
Inderdaad, hierin zijn zij ongeloviger dan de Mu'tazilah.”
[Sharh al-Aqeedatul Tahawiyyah - Volume 1 - Pagina 203]
Het staat vast dat veel geleerden van Ahlus Sunnah takfir hebben gedaan op de Ash'ariyyah.
Zij pasten deze takfir toe op dezelfde manier als zij dit deden bij de Jahmiyyah en de Mu'tazilah, aangezien deze groepen overtuigingen hebben die onder grote kufr vallen, zoals vermeld door de Salaf Saliheen.
Geleerden hebben de Ash'ariyyah als ongelovigen beschouwd vanuit twee belangrijke standpunten:
De Ash'ariyyah vanaf de tijd van Abu al-Hasan al-Ash'ari tot aan al-Baqillani geloofden dat Allah letterlijk boven is, en op dit punt deelden zij de overtuiging van Ahlus Sunnah wal-Jama'ah.
Wat betreft hun opvattingen over de handelende Eigenschappen van Allah en Zijn Spraak: de vroege Ash'ariyyah verwierpen deze door middel van tawil. Volgens de geleerden van Ahlus Sunnah valt deze verwerping onder grote kufr.
De latere Ash'ariyyah verwierpen vervolgens dat Allah boven is en namen de mening van de Jahmiyyah aan dat Allah niet boven Zijn Troon is. Geleerden van Ahlus Sunnah hebben expliciet verklaard dat het ontkennen van Allah’s verhevenheid op zichzelf grote kufr vormt, omdat dit ontkent wat Allah over Zichzelf heeft beschreven in de Qur’an en door middel van de Boodschapper.
Sommigen beweren dat de Ash'ariyyah udhr bi jahl krijgen voor hun kufr-opvattingen. Wij beschouwen dit als onjuist omdat de hujjah al op hen is gevestigd.
Zit je met vragen waar je graag een antwoord op wilt krijgen? Stel jouw algemene of specifieke vraag over de Islam. We staan voor je klaar en geven je binnen 48 uur antwoord.
Vraag stellen